Montag, 21. Juni 2010

hoe realiteitsvervorming agressieve impulsen stimuleert.

Mensen hebben de neiging om de realiteit te ontvluchten of te manipuleren wanneer ze in een situatie verkeren die als onprettig wordt ervaren. Een passieve vorm is dagdromen of rumineren. We denken aan iets anders en we vergeten de interactie voor een bepaalde tijd, of we nemen tenminste een neutrale positie in. Wanneer we daarentegen een actieve positie innemen gaan we vaak een objectieve realiteit vervormen. We gaan gebruik maken van redenen als excuses. Een vaakgebruikte is die van het zich ontrekken uit de situatie. Je zegt dat je naar een belangrijke afspraak moet en je vervangt het dagdromen in de praktijk zonder het risico te lopen om in pathologisch gedrag te vervallen. Rumineren is immers ook een symptoom van depressie. Wanneer we daarentegen in de situatie zelf blijven gaan we vaak die excuses op een veel agressievere manier aanwenden en dat is best wel te bestuderen op een vrij vertakt en inzichtgevend niveau. Door middel van technieken gaan we de eigen gedachten (her)structureren en we gaan ook ons gedrag (her)bepalen. Als je nagaat welke technieken er bestaan om de realiteit te vervormen wordt al gauw duidelijk waarom doorgaans het feit van agressiviteit moeilijk te vermijden valt.

Deze zijn:

- intimidatie: anderen op zwakheid binnen de relatie wijzen op een agressieve manier (de agressor is opener over zijn persoon binnen de relatie)

- kleineren: anderen op zwakte los van de relatie wijzen op een agressieve manier (hier is de agressor eerder gesloten)

- dreigen: als dit dan dat (angstinducerend)

- onderhandelen: als dit dan dat (logisch of pseudologisch)

- autoriteit: binnen gedrag aannemen/uitstralen -> ik ben meer

- autoriteit uitdagen: wijzen op onrechtmatigheid autoriteit

- beledigen: als negatieve vervorming

- flateren: als positieve vervorming

- feiten loochenen


We attribueren dispositioneel bij aanvang omdat we ons willen manifesteren. Een zaak van controle. Intimidatie gebeurt eerder in het begin van de relatie. Kleinering meer wanneer de duur van de relatie langer is. We attribueren later situationeler omdat we meer in termen van een zelfconcept attribueren. Stereotypen zijn initieel aanwezig en pas later is er sprake van een concept van het zelf van de ander. Dit kan een attributioneel ruimere structuur vormen: niet alleen de wat vraag wordt gesteld maar ook de waarom vraag voor een gedrag. Motieven van de ander worden dus belangrijker maar worden niet noodzakelijk met de eigen persoon in verband gebracht.

Iemand die zich algemeen onvoldaan voelt kan ook deze technieken aanwenden als machtspel en zo een onjuist gegronde reden als middel gebruiken om zijn neurotisch zelfconcept en paranoïa te bevestigen. Mensen met paranoïde trekken neigen wel eens vaker tot het beginnen van discussies. Al is dit maar één voorbeeld.

Opvallend is dat deze technieken ook als structurerende principes kunnen gezien worden binnen de taal. Dit gebeurt door gebruik van metafoor binnen het verbinden van concepten. Argument is oorlog is dan de metafoor die gebruikt wordt.

Kortom: onprettige situaties brengen een strijden tot stand die tot realiteitsvervorming leidt die inherent een agressieve component inhoudt.

Keine Kommentare:

Kommentar veröffentlichen