Freitag, 11. Juni 2010

empathie.

De moeilijkheid aan mijn meesterproef is onder andere dat niet zozeer de core motieven van mensen maar eerder de motieven de worden geïnfereerd die van belang zijn. Eerder in deze blog heb ik vermeld dat motieven tot op bepaalde hoogte gelijk gesteld kunnen worden met trekken. Ik dien dit echter te corrigeren. Ik lees net in een boek van Susan Fiske, een authoriteit binnen de sociale psychologie, dat motieven niet mogen gelijkgesteld worden met trekken. Wel omdat ze veel situationeler bepaald zijn. Motieven ageren als 'persoon-in-situatie' principes. Bepaalde kenmerken van de omgeving faciliteren of inhiberen belangrijke doelen zodat ze motiverend worden. Althans vanuit het perspectief van de persoon. Deze kenmerken kunnen een valentie toebedeeld krijgen die positief of negatief is. Bij het gebruik van een motief wordt er dus altijd teruggekoppeld naar de situatie en spreekt men niet van blijvende kenmerken. Men spreekt ook van de life space waarop men zich baseert.

Gezien het telkens om empathie gaat is er een afhankelijkheid tot het core motief 'begrijpen'. Zonder een tenminste impliciet begrip kan men geen gegrond oordeel maken over een situatie. De andere vier core motieven die door Fiske worden besproken en onderzocht zijn: erbij horen, controleren, zichzelf verhogen, en anderen vertrouwen.

Voor mijn meesterproef is vooral het motief controleren belangrijk. Het is het meest typische motief gezien de situatie hierbij van het grootste belang is en meer dan 'anderen vertrouwen' actie nodig acht. Mensen worden beoordeeld op hun daden en daaruit (de life space of situatie die hiermee samengaat) wordt een motief geconstrueerd is hier de stelling.

De voeling met de persoon is een belangrijk onderdeel en het is dan ook maar de vraag dat deze affectieve component sneller of voorafgaand verloopt aan de afleiding van trekken. Van belang hierbij is het stimulusmateriaal dat wordt aangeboden. Een mogelijkheid is om expliciet aan te geven wat het doel is van de persoon. De inferentie die dan gemaakt wordt is meer direct. Deze conclusie kan echter te snel gemaakt worden gezien het verwerkingsproces van de inferentie van motieven meer contextafhankelijk is. Het is immers mogelijk wanneer uit het begrip blijkt of een motief aanwezig is dan wanneer dit expliciet vermeld wordt. Dit proces kan spontaner verlopen. Situaties die een verdacht element hebben of stereotypen oproepen kunnen handig werken om egoïstische motieven bij een ander te projecteren.

Verder wil ik aangeven dat bij het motief begrijpen enige consensus wordt nagestreefd wat betreft inhoud van informatie. Men spreek ook van sociale representaties (Augustinus & Innes, 1990) en groepsbetekenis (Zajonc & Adelmann, 1987). Belangrijk is dat men hier controle heeft over deze kennis die onder vorm van normen aanwezig kan zijn. Eveneens waarden spelen hierbij een belangrijke rol. Zo is het zo dat wanneer men gebruik maakt van manipulatieve technieken dit negatief in valentie kan beoordeeld worden. Niet alleen omdat men een egoïstisch gedrag stelt maar ook omdat men zich beroept op een onzekere in plaats van meer veilige situatie (er is geen sprake van wederzijdse controle of groepscontrole). Waardoor het motief als negatiever zal beoordeeld worden. Vandaar dat het motief gehoorzaamheid doorgaans als positief wordt aangevoeld.

Keine Kommentare:

Kommentar veröffentlichen