Samstag, 10. September 2011

het spontane proces als construct.

De afwezigheid van een intentie die een directe invloed tot stand brengt binnen de verwerking van informatie is een eerste kenmerk dat typerend is aan een spontaan proces. Het begrip intentie betekent dat er een engagement bestaat om tot een korte termijn doel te komen. Bij een intentioneel proces daarentegen dient echter ook het doel op een direct causale manier bereikt te worden (Moors & De Houwer, 2007). De functie van de intentie is hierbij de initiatie van de mentale act in gang te zetten (Bargh, 1994). Om een spontaan proces uit te sluiten is het voldoende dat er een intentie aanwezig is waarvan het verwerkingsdoel overeenstemt met het resultaat van het proces waar men in geïnteresseerd is. Zo zal bijvoorbeeld het doel om een indruk te vormen van een persoon het onmogelijk maken om een overeenstemmende spontane inferentie te maken. Andere samenlopende processen waarvan het resultaat niet inhoudelijk overeenstemt met een intentie kunnen indien ook aan de andere voorwaarden van spontaniteit wordt voldaan wel als zodanig worden beschreven. Hierbij dient men zich echter bewust te zijn van de mogelijkheid dat niet overeenstemmende verwerkingsdoelen een invloed kunnen hebben op het verloop en resultaat van spontane processen. Uit een experiment van Moskowitz & Uleman (1987) is daar bijvoorbeeld aanwijzing voor gevonden. Proefpersonen kregen als instructie twee opdrachten quasi gelijktijdig uit te voeren. Deze dubbeltaak bestond enerzijds uit het begrijpen van aangeboden zinnen en anderzijds uit het zich concentreren op het lettertype of de fonemische aspecten van de zin. Er werd in geen enkele conditie een persoonlijkheidstrek afgeleid. Terwijl dit zonder bijkomende taak wel het geval was. De onderzoekers concludeerden dat dit te wijten was aan het verwerkingsdoel van de tweede taak.

Een tweede kenmerk is efficiëntie. Dit concept is afgeleid vanuit de opvatting dat er slechts een gelimiteerde aandachtscapaciteit beschikbaar is. Men is tot deze conclusie gekomen door ook hier bij cognitieve taken gelijktijdig een supplementaire taak aan te bieden. Wanneer de tweede taak de impact van de prestatie voor de eerste taak niet doet afnemen wordt er van een efficiënt proces gesproken. Men kan echter nooit weten dat deze extra taak de volledige aandachtscapaciteit uitput. Bij gevolg kan niet met zekerheid aangetoond worden dat een proces zonder aandacht verloopt. Men veronderstelt dat bij een efficiënt proces slechts een minimale hoeveelheid aandacht wordt gebruikt en dat dit binnen een gradueel continuüm kan geplaatst worden (Moors & De Houwer, 2007). In het geval van de efficiëntie van trekinferenties stelt men vast dat bij het aanbieden van een supplementaire geheugentaak persoonlijkheidstrekken wel degelijk worden afgeleid (Uleman et al., 1992).

Als derde kenmerk wordt het feit naar voren geschoven dat spontane processen onbewust tot stand komen en onbewuste representaties als gevolg hebben. Hier is op de meest uitgesproken manier sprake van wanneer het stimulusmateriaal niet bewust wordt waargenomen zoals in het geval van subliminale aanbiedingen. Meestal bedoelt men echter dat er geen bewustzijn bestaat over de categorisatie of interpretatie die men maakt of welke factoren de respons beïnvloeden (Bargh, 1994). Vermits er in dit onderzoek geen sprake is van subliminale aanbiedingen worden enkel de overige vormen verondersteld. Dit betekent dat de situatie steeds op een bewuste manier wordt begrepen. Enkel de inferenties die worden afgeleid en de verbanden met eventuele factoren die hier een invloed op hebben zijn onbewust. Men maakt het onderscheid tussen enerzijds prebewuste processen en onderzijds postbewuste processen. Van de eerste wordt verondersteld dat ze vooral stimulusgedreven zijn (Moors & De Houwer, 2007). Zo combineren we bij het lezen van een zin onbewust de verschillende taalkundige onderdelen zodanig dat we de zin doorgaans onmiddelijk begrijpen (Wyer & Srull, 1989). Primes en chronische toegankelijke constructen kunnen hierbij medeverantwoordelijk zijn voor de betekenis die toegekend wordt. Postbewuste processen vereisen daarentegen een bewustzijn en vormen op basis hiervan een gerichte aandacht (Bargh, 1989) die niet intentioneel gestuurd wordt (Moors & De Houwer, 2007). Postbewuste processen zijn immers per definitie onbewust van aard (Bargh, 1989). Er wordt echter veronderstelt dat bewustzijn een gradueel fenomeen is (Cleeremans & Jiménez, 2002). Wanneer representaties voldoende sterk en stabiel worden (O'Brein & Opie, 1999) en de mogelijkheid bestaat om een coherente indruk te vormen (Bayne & Chalmers, 2003) kan er zich in principe een bewustzijn ontwikkelen.

Het vierde kenmerk dat in verband wordt gebracht met een spontaan proces is dat het onder bepaalde omstandigheden gecontroleerd kan worden. Binnen deze context bedoelt men dat er de mogelijkheid bestaat dat er verstoring kan optreden van het proces. Bargh oppert dat motivaties hier een belangrijke rol in kunnen spelen. Hij heeft hierbij aandacht voor enerzijds situationeel geïnduceerde motivaties en anderzijds intern gegenereerde motivaties. In het eerste geval is er sprake van een invloed die te maken heeft met de experimentele omstandigheden, bijvoorbeeld de neiging om sociaal wenselijke indrukken te hebben. In het laatste geval heeft de verstoring louter te maken met factoren binnen de persoon, bijvoorbeeld het in rekening nemen van andere informatie. Rechtstreekse aantoning van dergelijke effecten is er echter nog niet gevonden voor spontane inferenties. Wel heeft men reeds aangetoond dat afleidingstaken een verstorende invloed kunnen uitoefenen wanneer het begrip van de situatie vermindert (Uleman et al., 1992).

1 Kommentar:

  1. tut mir leid, das war alles ein bisschen unverständlich.
    liegt sicher am dummen google übersetzter:)
    also das mit dem lay out habe ich verstanden :D
    aber den rest nicht. außer, dass mit dem "So, Lady mit dem Poncho"
    :*

    http://avec-passion.blogspot.com

    AntwortenLöschen