Dienstag, 26. Juni 2012

tijd en zijn.

Als men aanneemt dat niet zozeer tijd een invloed heeft op het zelf als zodanig maar alleen in analogie met de faculteit psychologie een ivloed heeft op afzonderlijke processen ontstaat er een probleem in verband met de kenmerken van het zelf. Uit mijn vorige post kan worden geconcludeerd dat het zelf complex is en continu in verandering, zelf wanneer dit zelf als zodanig en deze verandering dus ook niet direct waarneembaar is. Door het afstand nemen van de faculteit psychologie en het veréénzelvigen van tijd met Erzijn (Dasein) kan men dit probleem oplossen. Het bekende werk van Martin Heidegger 'Zijn en Tijd' bedoelt dus een identiteitsgelijkheid. Niet zozeer een gevolgtrekking.

Ik vind het zelf nogal moeilijk om tijd helemaal met het zelf gelijk te stellen. Ik snap de interpretatie wel dat wanneer je Dasein met tijd gelijkstelt dat er dan overeenkomst is van eigenschappen. Ik snap ook dat wanneer een gelijkheid wordt "getrokken" die betrekking heeft op identiteit dat er dan iets hoger, als is het maar op intellectueel vlak, emergeert. Ik begrijp ook dat een interpretatie in de zin zin van duratie (een stroom) in plaats van een sequentie van afzonderlijke momenten een constante beweging in zich houdt. Conceptueel lijk ik dus te snappen waar het over gaat. Doch zijn er wat tekortkomingen in mijn begripsvermogen in relatie met wat ik eerder opgevat heb als tijd. Ik heb tijd nooit als een bezit aanzien. Iets dat zeer waardevol is. Ik heb tijd nooit betrokken met het leven. Ik heb het altijd als iets los van onszelf gezien en nooit als iets dat onze processen vormgeeft (zeg maar een "gelukstreffer" door de natuur door middel van adaptatie) laat staan dat we zelf tijd zijn. Ik ben bang van het louter taalmatige van deze filosofische analyses. Ik ben tijd, zeg nu zelf, de meeste mensen zouden raar opkijken. Nee de meeste mensen spreken van "ik heb tijd" of "ik ben in de tijd". In wezen is dit ook wat Heidegger "aangeeft." Gezien we nooit bewust zijn van onszelf.

In de analyse van de verschillende verwerkingen maakt men een onderscheid tussen perceptie, herinnering en herkenning. Het eerste is samenhangend met het heden, het tweede met het verleden en het derde met de toekomst. Dit is een sequentiële opeenvolging maar volgens de logische opvolging komt herkenning als eerste. Hierbij is er een soort "pop-out" die als functie heeft de identiteit constant te houden. Zelfs als de inhoud van gedachten verschillend is houden we betekenis ervan ergens samenhangend met het voorgaande. Nu goed, hoewel er wordt aangegeven dat deze eigenschap essentiëel is om te denken kan je dit ook zien als een spinsel. Geeft dit werkelijk een psychologisch essentie van de herkenning weer? Het is wel zo dat vanaf zelfherkenning perspectief voor de toekomst ontstaat doch dit blijft veraf van het gelijkstellen met een psychologische functie. Je lacht omdat je iets fout herkent dat mogelijkheid heeft tot iets goed. Maar wat zegt het herkennen van een weerkomend vierkantje. In elk geval, veel minder. Geheugen wordt gelijkgesteld met fantasie. Het is door herinnering dat we onze fantasie ontwikkelen en in wezen bestaat de kern van onzelf uit herinnering volgens Kant in tegenstelling met Heidegger die veel meer essentie legt op de herkenning. Iets wat dus veel meer op interactie is gebaseerd dan op het interne leven. Niettemin blijft de ervaring belangrijk al wordt die onderscheiden van het Ik als zodanig. De twee kunnen natuurlijk ook samen als een levenslijn gezien worden.

De verschillende opinies representeren goed dat er ontologisch inderdaad geen zekerheid bestaat. Men kan dus alleen spreken van kenmerkanalyse maar wanneer men categorieën gaat creëren valt men door de mand. Het is een leerproces natuurlijk maar het is frustrerend om niet tot kantklare hapjes te komen. Men spreekt elkaar tegen.

Keine Kommentare:

Kommentar veröffentlichen