Samstag, 2. Januar 2016

Controle Ext. (B)

De input vanuit de omgeving is in het proces van terugkoppeling bij collectief intelligent gedrag van termieten erg belangrijk. Door het manipuleren van het gedrag, zoals de gang van bewegen, krijgt het andere informatie binnen die van bijzondere waarde blijkt. Ook wanneer het streven om geschikte informatie niet meteen wordt bereikt zal een termiet het gedrag aanpassen om toch tot de gewenste oriëntering te komen. We zien dus dat binnenkomende informatie gepaard gaat met gedrag dat ontegensprekelijk doelgericht is (Webb & Clark, 2015).

Naast dat dit gedrag geörganiseerd is rond het doelgericht implementeren van de omgeving dienen we te herkennen dat elke stap in het collectieve proces wordt uitgevoerd door een enkel individu. Dit wordt de agent genoemd en is in het voorgaande voorbeeld dus een individuele termiet. Indien een agent op een enigszins adaptieve manier een doel wil bereiken moet er daarnaast ook van informatieverwerking sprake zijn, en meer specifiek van een cognitief proces. Belangrijk hierbij is dat er een onderscheid kan gemaakt worden tussen enerzijds de omgeving en anderzijds zichzelf. In het gebied van artificiële intelligentie van machines wordt er ook wel gesproken van het bias-variety dilemma. Hier wordt aangenomen dat we door bepaalde regels die niet louter zijn gebaseerd op het oppikken van informatie we ons beter aan de omgeving kunnen aanpassen. Deze regels worden ook wel heuristieken genoemd. Wat dan gesupplementeerd wordt door een zich oriënteren op verschillen. Wel omdat deze methode op zichzelf vaak onvoldoende efficiënt zou blijken. In het geval van de termieten zijn de eigenschappen en acties natuurlijk anders gegeven dan bij mensen. Maar toch kunnen de kenmerken van dit onderscheid ook wel toegepast worden bij mensen. Een interessant concept dat hieruit voort kan afgeleid worden is het gebruik van context.

Door het gebruik van contextuele informatie gaan we eveneens gebruik maken van verschil naast een meer directe en regelgerichte verwerking. Er kan zelfs vanuit deze samenhang worden gesteld dat context essentiëel is voor een correcte aanpassing aan de realiteit, wat ervoor zorgt dat naast algemene weinig rechtstreeks toepasbare doelen eveneens een middel wordt voorzien om gepaste selectie van de respons te bekomen. Een agent stelt dus intelligent gedrag niet omdat het doet wat het wil doen maar omdat het de omgeving zo verwerkt dat zowel de eigen karakteristieken als die van de omgeving in rekening kunnen worden genomen. Door de abstractie van informatie uit de omgeving te combineren met eigen actie die teruggekoppeld wordt zullen we dus als mensen op een gelijkaardige wijze als termieten ons gedrag kunnen sturen. Wat in essentie van belang is bij het gebruik van context is het leggen van verbanden en samenhangen, en dit betekent dus dat nieuwe verbanden de mogelijkheid kunnen hebben om aanwezige samenhangen te corrigeren. Zo kan er tot een geïntegreerd cognitief systeem worden gekomen dat enigszins dynamisch flexibel is (Rupert, 2014).

Bij gevolg is ons organisatorisch vermogen meer variabel en geïndividualiseerd dan dat van termieten. Hoewel we meer dan we vermoeden afhankelijk zijn van contextuele verwerking. Bij studies van jonge kinderen toont men in het vakgebied van ontwikkelingspsycholgie aan dat bij false belief taken wel degelijk eerder van context wordt gebruik gemaakt bij de regulatie van de eigen acties en oordelen dan van wezenlijke overtuigingen of inzichten. Deze tendens blijft ook aanwezig doorheen het verdere leven en wordt niet vervangen of aangevuld als proces maar blijft quasi onafhankelijk bestaan. Deze distributieve manier van verwerking heeft vooral belang bij sociaal leren wat vaak progressief verloopt.

Het belang van contextuele informatie wordt ook aangetoond door Mon-Williams & Bingham (2008). Uit hun experiment blijkt dat wanneer de uitvoering van een oriënteringstaak wordt verhinderd de relevante informatie niet wordt benut. De verklaring die hieraan wordt gegeven is dat de abstracte projecties die bij een onverstoorde uitvoering wel worden gemaakt ervoor zorgen dat er een vrij accurate implementatie van informatie is vanuit de omgeving. Tevens kan men hieruit besluiten dat contextuele informatie niet altijd wordt benut en onverstoorde actie een significante rol speelt. Men spreekt van een probabilistisch verband, wat betekent dat bepaalde segmenten van onze ervaring beter worden gebruikt en aangewend dan andere. Dit met inbegrip van een inrekeningname van deze informatie. Het concept van regressie doorheen de tijd in de zin dat we meerdere informatie tegelijkertijd en doorheen de tijd hanteren wordt eveneens door Kahneman (2011) beschreven.

Putnam (1967) geeft aan dat mentale staten hierbij een non-computationele rol vervullen. Dit is zo binnen het gebied van communicatie maar kan ook van tel zijn bij processen als het incorporeren van de materiële externe realiteit. Het handhaven van systemische stabiliteit in een homeostatisch dynamisch systeem houdt immers in dat bepaalde kritische variabelen binnen bepaalde kritische grenzen worden gehouden. Niet alleen is dit gerelateerd met het gebruik van context maar ook met dat van representaties in het algemeen. Wat als cognitief telt moet vast gehouden worden door de complexe structuur van het innerlijke. Rupert (2014) geeft bovendien aan dat bij het memoriseren van informatie er meer kans is dat we iets niet verwerken wanneer dit zonder actieve participatie verloopt en dus louter via de omgeving wordt geregistreerd.

Dit idee krijgt ook vorm bij een nauwgezette interpretatie van Rowlands van het ecologische model van perceptie. Het gebruik van representaties wordt binnen de dit model uitsluitend toegeschreven aan gedrag. Indien we dit model volgen zou dit dan dus betekenen dat actie bepalend is op vlak van het aanmaken van nieuwe (perceptuele) representaties (Gibson, 1979). Het gebruik van representaties is echter niet zonder meer een evidentie. Hoewel het klopt dat de cognitieve wetenschap veel baat heeft door centralisatie door middel van een agent, blijkt het zo te zijn dat de mentale inhoud een vrij variabele inhoud weergeeft die sterk door de context wordt bepaald. Het hebben van representaties die nauw afgelijnd zijn met zowel de actie als de omgeving lijkt dus bij voorkeur aanwezig. Doch dient ook in rekening genomen te worden dat context in de meeste gevallen gericht is op de omgeving en dat er sprake kan zijn van beperkingen ten opzichte van het tot integratie brengen van het cognitieve systeem of de operatie als zodanig. Er moet dus enige flexibiliteit in de redenering worden voorzien met inbegrip van de kennis dat er geen sluitende data zijn in wanneer wel en wanneer niet contextuele informatie wordt gebruikt en duurzaamheid vertoont. Het debat rond substantialiteit en subjectiviteit is natuurlijk lang bestaande. Een belangrijke eigenschap van subjectivisme is immers dat het extern geörienteerd is (Bergson, 1908).

Wanneer zowel het gedrag als de context belangrijk is lijkt het aannemelijk dat dit een cummulerend effect heeft op het gebied van interacties die we aangaan. De Jaegher (2010) beschrijft interactie als een wederzijds geëngageerde gecoreguleerde koppeling tussen tenminste twee autonome agenten waar de coregulatie en de koppeling een zelfinstandhoudende organisatie constitueren in het domein van de relationele dynamica. Wanneer we dit aandachtig implementeren kunnen we net hetzelfde onderscheid postuleren dan dat van enerzijds gedrag of actie en anderderzijds context. Het eerste kunnen we gelijkstellen met enactive embodiment. Uiteraard is actie steeds embodied in de psychologie gezien een actie steeds wordt uitgevoerd via een agent. Anderzijds kunnen we de rol van de context relateren met extendedness. De combinatie van zowel embodiment als extendedness wordt door Rowlands als 'the amalgamated mind' beschreven en is volgens hem een ideale oriëntatie om het niet-Cartesiaanse standpunt empirisch te onderzoeken. Dit standpunt geeft aan dat ook het toegankelijk worden van informatie via het lichaam en uit de omgeving naast bij dat van het brein mogelijk is. Tevens wordt aangenomen dat mentale staten in het subject hier enigszins centraal mee gerelateerd zijn. Dit wil echter niet zeggen dat dit verband steeds rechtstreeks is, gezien dit fenomeen niet altijd onmiddelijk te observeren valt. Mogelijk onderzoek hiertoe zou betekenen dat groepen met een gezamelijke context of extendedness andere mentale staten vertonen dan andere verschillende doch vergelijkbare groepen. Op deze manier zou een verklaring geboden worden door middel van voorgaane samenhang. Eveneens is het relevant om de betekenis van de (inter)actie na te gaan inzake deze mogelijke constituerende factor.

Keine Kommentare:

Kommentar veröffentlichen