Samstag, 2. Januar 2016

Intentie Ext. (C)

Om de doelgerichtheid van een proces te beschrijven zijn er drie elementen van belang. In de eerste plaats is er het doel, vervolgens is er de act, en ten slotte is er het causale verband hiertussen. Een intentie is hierbij een speciaal type doel, het is namelijk het doel om zich te engageren in een act. Wanneer zowel het doel om te ageren aanwezig is als eveneens de act, maar wanneer het doel niet de oorzaak is van act dan is de act niet intentioneel (Searle, 1983; Haugeland, 1990).

Dit wil niet zeggen dat de realiteit altijd zo eenduidig is. Zo kunnen intenties ten opzichte van elkaar in competitie gaan zodat de kritische intentie voldoende kracht moet vertonen in vergelijking met andere intenties (James, 1890; Wundt, 1902). Er zijn zelfs opponenten tegenover het causale gezichtspunt die het triviale idee afweren dat een intentionele act moet veroorzaakt worden door een intentie. Een individu kan gericht worden een actie uit te voeren zonder een werkelijke representatie van de act zelf. In deze context maakten Wakefield & Dreyfus (1991) het onderscheid tussen R-intentionaliteit and G-intentionaliteit. Waar R-intentionaliteit staat voor representatie-gemedieerde intentionaliteit staat G-intentionaliteit voor gestalt intentionaliteit. Deze laatste is een vorm van emergerende intentionaliteit en wordt ook wel goal-dependence genoemd.

Binnen de dynamic systems benadering wordt aangenomen dat het merendeel van ons gedrag emergeert vanuit een bottom-up activiteit waarbij verschillende beperkingen in rekening worden gehouden (Carver & Scheier, 2002). Veel acties worden niet door representaties van acties gegenereerd. Maar zijn wel het resultaat van verschillende interagerende invloeden die gecombineerd worden met een niet gespecifiëerde tendens naar het streven naar verhoogde coherentie. Een gelijkaardig gezichtspunt wordt aangenomen binnen de connectionistische benadering. Waar subsymbolische representaties worden gepostuleerd. Er zijn onderliggende processen die ervoor zorgen die zowel het gevoel van intentionaliteit als die de act op zich bewerkstelligen (Wegner, 2003).

Om deze tegenstrijdigheid op te vatten heeft Livet (2010) twee soorten intenties geformuleerd. Naast de motivationele intentie waarbij enigszins een bewust doel wordt gehanteerd is er de formatieve intentie die automatisch en onbewust doorwerkt. Deze laatste vertoont affiniteit met het leren in groep en houdt verband met het globale beeld dat men heeft over een situatie. Hierbij rekening houdend dat steeds de situatie in rekening dient genomen te worden om in een optimale ontwikkeling te voorzien. In wezen geeft dit ook aan dat minder bewust bekende zaken wel worden geleerd door dagdagelijkse interactie met de omgeving. Rowlands (2010) maakt in dit verband onderscheid tussen persoonlijke en subpersoonlijke verwerking. Een proces dat persoonlijk verwerkt licht het eigen subject in terwijl een proces dat subpersoonlijk verwerkt voor volgend verloop belangrijk is. Bij beiden soorten processen is het belangrijker dat de functie wordt vervuld dan dat een proces op zich plaatsvindt. Waarbij de algemene functie van een verwerkingsproces wordt getypeerd als het ter beschikking maken van informatie.

Volgens Grammont, Legrand, & Livet (2010) zullen we voornamelijk vanuit het eigen gedragsrepertoire leren. Deze familiariteit kan opgevat worden als een groep schema's die in mindere of meerdere mate bekend zijn bij een individu. Daar cognitie het doel heeft informatie beschikbaar te maken wordt aangenomen dat cognitie op zich intentioneel is. Dit betekent dat algemene positiename tevens van belang is voor formatieve intentionaliteit. Dit is een zaak van ervaring, gezien ervaring gebaseerd is op het empirisch blootleggen en ontluiken van informatie. De these is dus dat door het in de wereld zijn, cognitie op zich een zekere mate van intelligentie in zich herbergt.

In een verdediging over de enactively extended intentionality geeft ook Shaun Gallagher (2011) het belang van intersubjectiviteit aan. Door de integratie van enacted embodiment en extendedness hanteert hij twee aspecten die ervoor staan dat de acties in de wereld zelf van belang zijn. Hij verwijst hierbij naar ondermeer Husserl die het onderscheid maakt tussen operatieve intentionaliteit en act intentionaliteit. Bij de eerste wordt de aandacht verlegd naar de ervarende agent die intentioneel geëngageerd is met de wereld via acties en projecten die niet louter te reduceren vallen met mentale staten. Er wordt hiernaast expliciet nadruk gelegd dat er in wezen enkel sprake is van een lichamelijke intentionaliteit. Ook Merleau-Ponty (1945/1962) oppert deze gestuurdheid naar een doel of project en geeft aan dat we wel degelijk zo worden begrepen door anderen. Er is met andere woorden sprake van een externalistisch gezichtspunt dat aanneemt dat intentionaliteit iets is dat we kunnen onderscheiden via het gedrag en niet noodzakelijk verborgen is in ons hoofd.

Het neo-behavioristische gezichtspunt is hierbij te sterk gebaseerd is op het aspect van de observator die intentionaliteit afleidt. Wanneer we dit voor steeds meer mensen toepassen leidt dit tot een oneindige regressie. Deze opvatting is dus moeilijk bruikbaar voor collectieve doeleinden. Het neo-pragmatische gezichtspunt is origineel ook niet bruikbaar omdat het te veel introspectieve simulatie veranderstelt. Dit vormt een probleem omdat heel wat gedragingen die intentioneel kunnen worden opgevat niet als zodanig mogen worden geäccepteerd. Dit vormt natuurlijk een probleem gezien recente bevinden uitwijzen dat spiegelneuronen die erg belangrijk zijn voor zowel de eigen intentionaliteit als het toeschrijven van intentionaliteit bij anderen objectneutraal zijn. In het neo-pragmatische gezichtspunt wordt immers aangegeven dat deze introspectieve simulatie erg normatief wordt vormgegeven. Er dient dus een neo-pragmatisch gezichtspnt worden geformuleerd dat in essentie gebaseerd is op interactie in plaats van een te nauwe normatieve introspectie.

Gallagher & Mayahari (2009) geven verder in hun verhandeling te kennen dat er dient gezocht te worden naar subpersoonlijke aspecten van agenten die onbewust zich coördineren. Tussenlichamelijke processen zoals Merleau-Ponty () dat beschreven heeft.
Het motorische aspect is hierbij van significant belang doordat binnen de theorievorming rond intentionaliteit dit aangetoond kan worden. Gallagher (2) geeft aan dat de abstractie die men maakt van zichzelf en anderen van wat men strict motorisch doet en kan doen fundamenteel is aan ons brein. Verder is het van belang dat we lichaamsschema's hanteren die inhouden dat we ons binnen een mental space oriënteren die gebaseerd op zowel de motorische actie van onszelf als die van anderen. Dit resulteert in een nadruk op sociale contingentie die emergeert vanuit het interactieproces zelf. Hierbij wordt er dus van een reductie naar individuele agenten afgestapt en wordt de nadruk op de koppeling hiertussen gelegd. Met andere woorden: de ervarende agent is intentioneel geëngageerd met de wereld door acties en projecten die niet te reduceren vallen als simple mentale staten, maar houden een intentionaliteit in die zowel motorisch is als lichamelijk. Waarbij we het doel of project in eerste instantie niet ongereduceerd kunnen waarnemen in anderen.

Dit is meer basaal dan op taal gebaseerde semantische intentionaliteit. Enkel semantische processen zijn immers op bewustzijn gebaseerd. In se gaat het dus om een subpersoonlijke aanwenden om een verband te leggen te leggen met een persoonlijk proces. In die mate is de extendedness wel degelijk van belang en kan er hier dus gezocht worden naar psychologische toepassingen. Hierbij dienen we een taak te vinden die communicatieve of narratieve geldingskracht heeft. Een pragmatische taak waarbij andermans actie enkel affordance heeft. Eveneens feedback wordt geleid via dergelijke veronderstelde processen. Er is immers een complexiteit met de veranderingen in de wereld. Er zijn responsen van het systeem en er zijn responsen van zichzelf. Bepaalde delen van de wereld dienen dus geïncorporeerd worden in dergelijke praktijken. Hierbij moet echter steeds in rekening genomen te worden dat bepaalde gebruiken beter zullen worden verwerkt dan anderen. Hierbij speelt het aspect van iets zelf kunnen een grote rol. Vandaar dat een pragmatische taak dan ook zal dienen als onderzoeksobject van deze verhandeling.

Keine Kommentare:

Kommentar veröffentlichen