Posts mit dem Label Niederländisch werden angezeigt. Alle Posts anzeigen
Posts mit dem Label Niederländisch werden angezeigt. Alle Posts anzeigen

Samstag, 2. Januar 2016

Verwerking Ext. (D)

Vooraleer ik de karakteristieken van het te onderzoeken proces verder toelicht zal even stilgestaan worden bij enige algemeenheden inzake de verwerking. Uit de voorgaande literatuurstudie kwam naar voren dat actie een representationele activiteit vertegenwoordigd die enigszins tot een centraal model van cognitie leidt. Centraal in die zin dat dat nuancering mogelijk is door de invloed van de context op de representaties. Hierbij wordt het zelfs mogelijk geacht dat de initiële uitsluitend individuele rol zelfs kan gesupplemteerd worden door een distributieve vorm van verwerking. Dit zou dan via de integratie van interactie verlopen. Dit gezichtspunt van een centraal bewust subject, waar andere processen op geörienteerd kunnen worden bestaat al lang en is eigen aan de pragmatische benadering (James, 1912).

Door de wereld op een gepaste manier waar te nemen zal het mogelijk worden om deze meer beschikbaar te maken. Dit is een proces van facilitatie dat aangenomen wordt via onze acties te verlopen (Rowlands, 2005). Wat een functionele manier van benaderen inhoudt, hetgeen courant is binnen het wetenschappelijk beschrijven en verklaren van processen. Hoewel op deze manier niet het proces, hoe het is, wordt beschreven los van de gedragsmatige consequenties, lijkt dit de juiste keuze vanuit huidig standpunt. Dit wil niet zeggen dat er geen vooronderstellingen kunnen of mogen worden gemaakt over het structurele gedeelte van representaties en de transformaties of ook wel cognitieve processen die hierbij horen. De gehanteerde benadering is echter eerder conform met heel wat bevindingen hetgeen de zaak een stuk makkelijker lijkt te maken. Indien de rol van interne representaties is voorzien met de essentie van de situatie dan zal de onbekendheid van de exacte bewuste inhoud een beperkend doch minder relevant probleem vormen. De eigenschap om verschillende inhoud tegelijkertijd te kunnen representeren lijkt zelfs door het bestaan in de wereld en het zich op die manier aanpassen functioneel bepaald. Een precies antwoord blijft dus sowieso uit, en de werkelijke inhoud blijft veranderlijk.

Omdat hier het werkmodel wordt gehanteerd dat actie bepalend is naar de representaties toe, doen we hier geen onmiddelijke poging om na te gaan welke aard deze representaties kunnen hebben los hiervan. Indien men het belang van de wereld, als medeoorzaak van veranderend mentale inhouden wil toelichten, is het wel belangrijk een verbinding te leggen met externe gegevenheden. Idealiter zou er zelfs van een soort kaart van de waargenomen wereld sprake zijn, al is deze benadering in de exacte vorm onderhevig aan veel kritiek. Indien er zo benaderd wordt kan slechts gezocht worden naar een voorstelling van de externe wereld die partieel is, niet compleet, en ontbrekend in detail. McGinn (1989) neemt in zijn behandeling van externalisme aan dat wanneer externalisme sterk wordt geformuleerd mensen slechts de wereld rondom op een indirecte manier kunnen voorstellen. Al kan dit ook voordelen bieden voor de verwerking van verschillende soorten informatie. Een dergelijke manier van representeren maakt het immers mogelijk de inhoud beter beschikbaar te maken, om even welke functie of even welk hiermee gerelateerd mechanisme. Het gaat immers om hoe een geheelheid extensie kan krijgen zodat er geleerd kan worden van deze geheelheid.

O'Regan et al. (2000) tonen in experimenten rond change blindness en inattentive blindness aan dat we vaak grove situationele aspecten onze perceptie laten sturen. Niet de ogenschijnlijk belangrijke of opvallende elementen moeten in eerste instantie in het oog springen maar wel de algemene situatie. We percepiëren de wereld veel minder sequentieel dan wat we zouden denken. Een mogelijke uitgangspositie die naar voren kan geschoven worden is deze van situatedness. Meer specifiek betekent dit de interactie tussen agent, situatie en de context. Waarbij de agent het individu is in kwestie, de situatie de fysieke omgeving en de context de afhankelijkheid of embeddedness ten opzichte van verschillende factoren. Het onderscheid wordt gemaakt tussen contexten die globaal zijn, die socio-cultureel worden gegeven en contexten die locaal zijn en dus als kleiner worden omschreven (Clancey, 2002). Naast dit onderscheid is het belangrijker het onderscheid te maken tussen intercontext en intracontext (Semin & Smith, 2002). De eerste heeft betrekking met de sociale gedeelde realiteit waar de tweede een partiële mapping hiervan uitmaakt. Deze laatste speelt een rol bij het leerproces als zodanig en het betekenis verlenen aan specifieke situaties of taken. De intracontext wordt gevormd door concepten die constant worden gemodificeerd door interactie. Binnen dit subsymbolisch proces wordt symbol grounding belangrijk geacht, wat verantwoordelijk is voor de aanpassing aan de realiteit. Hoewel dit proces steeds wordt bijgestuurd aan de situatie veronderstelt men dat niet zo zeer proposities van belang zijn maar dat het werkelijk om contextuele kennis gaat die op zichzelf staat. Waar binnen intercontext het om het globale socialiseren gaat, gaat het bij de intracontext echter om individualisatie. Er wordt hier dus expliciet aanstalte gemaakt dat specifieke taken worden geleerd en de ontwikkeling bevorderen. Hierbinnen kunnen zowel fysieke als sociale elementen een rol spelen (Dautenhahn et al., 2002). De intracontext vormt concepten uit ervaren situaties en op basis van deze ervaringen worden door middel van abstractie situaties als gelijkaardig gecategoriseerd. Waaruit volgt dat dat de typicaliteit van een sitiuatie centraal te maken heeft met gebruik van de intracontext (Rohlfing, 2001).

Ook de enactieve benadering van de perceptie houdt in dat subjecten door middel van actie hun perceptie structureren (Noë, 2004). Hier wordt meer specifiek aangenomen dat door het sensorimotorisch aanwenden van informatie we tot impliciete praktische kennis komen (O'Regan & Noë, 2003). Hoewel enerzijds de idee van perceptie als activiteit wordt erkend, hetgeen tevens in de ecologische benadering wordt voorgesteld, ligt de essentie van dit proces dus eerder bij de actie zelf. Het gaat hem hierenboven in mindere mate om het operante principe van reinforcement. Dit betekent dat het proces van opportuniteiten of affordances, wat een sleutelbegrip is binnen de ecologische benadering, geen centraal kenmerk inhoudt. De (visuele) perceptie wordt hierbij sterk door de tast vormgegeven, wat op beurt bepaald wordt door wat we aankunnen of waar we klaar voor zijn. Als het om de inhoud van perifere of contextuele informatie gaat wordt hier ook benadrukt dat er een gebrek is aan detail. Het is inzake deze informatie dat de wereld zelf als het beste model kan bekeken worden (Brooks, 1991). O'Regan (1992) spreekt ook wel van 'het externe geheugen'. Men neemt hierbij echter aan dat we niet gericht zijn op een perceptie van een dergelijk geheel. Wat we wel doen is de wereld percepiëren in het verlengde van onze kennis omtrent onze acties. Zo maken we de wereld meer toegankelijk of available tegenover de omgeving naargelang de uitvoering van gedrag. Zelfs wanneer dit betekent dat dit geen strict gericht zijn is op opportuniteiten. Men kan in deze benadering waarneming en actie niet echt dissociëren.

Toch moeten we effectief zijn wanneer ons binnen de omgeving gaan begeven. Uiteindelijk betekent dit wel de inhoud van de waarneming. Volgens Thompson Clarke (1965) is de relatie met de omgeving niet één van deel zijn van de omgeving maar wel één van de omgeving zelf zijn. Om tot inhoud binnen deze enactieve benadering te komen moeten we dus het begrip extendedness integreren. Dit wordt gedaan door een spatiële relatie tegenover deze complexiteit in te voeren. Belangrijke begrippen hierbij zijn: de omvang, de vorm, het volume en de afstand. Deze worden door ons ervaren dankzij de bezitname van sensorimotorische vaardigheden. Schatting is hierbij een typerend onderdeel om dit mechanisme te funderen. Men spreekt hierbij ook van P-properties. Binnen de enactieve benadering worden deze eigenschappen niet als mentale entiteiten bekeken maar worden ze eerder relationeel bestempeld. Tevens wordt aangenomen dat men niet per se expliciet over deze aspecten nadenkt maar ze juist ervaart op een noninferentiële manier via het sensorimotorisch profiel. Zo wordt de wereld toegankelijk via onze geografische positie en krijgt perceptie perspectief. We maken feitelijk een spatiële inhoud eigen. Door zich te mediëren in de sensorimotorische ruimte door middel van het gedrag wordt in inhoud van de perceptie voorzien. Dit is op beurt van toepassing voor een betere ervaring. Wat een proces is van zich aanpassen langs gepaste sensorimotorische kennis en uiteraard alleen kan wanneer mensen actief interageren met hun omgeving. Aanpassing produceert hierbij een intermodaal conflict tussen het zicht enerzijds en de proprioceptie/kinestesie anderzijds. Bach-y-Rita (1996) stelt hierbij een model voor dat het Tactile Vision Substitution System (TVSS) heet. Hier wordt spatiële waarneming via tactiele sensatie voorgesteld. Door het benutten van deze informatie door middel van sensorimotorisch begrip kunnen we sensorimotorische vaardigheden als 'proto-conceptuele' vaardigheden bekijken. Er wordt door Noë (2004) aangenomen dat waaarschijnlijkheid en evaluatie hierbij een rol moeten spelen. Naast de dimensie van de feitelijke inhouden is vooral de dimensie van de perspectief inhouden relevant. Deze leggen immers de relatie met het persoonlijke perspectief inclusief de veranderlijke relatie met de wereld en hoe we de stand van zaken (kunnen) nagaan. Op zich is dit sterk met het concept bewustzijn verbandhoudend, en dit raamwerk houdt dan ook een verklaring in hoe ervaring en perceptie hieraan kunnen bijdragen.

Hoe dan ook is het zo dat het concept van extern geheugen voor problemen zorgt vanuit de enactieve benadering. Er zou een constante link moeten bestaan met de omgeving, dit is moeilijk vol te houden naar een dieper proces toe. Daarom moet dit model uitbreiding vinden met concepten die de link leggen met actieve of deductieve processen en/of geheugenprocessen die toestaan om vanuit een pragmatisch standpunt deze opgedane ervaring stabiel te mediëren.

Intentie Ext. (C)

Om de doelgerichtheid van een proces te beschrijven zijn er drie elementen van belang. In de eerste plaats is er het doel, vervolgens is er de act, en ten slotte is er het causale verband hiertussen. Een intentie is hierbij een speciaal type doel, het is namelijk het doel om zich te engageren in een act. Wanneer zowel het doel om te ageren aanwezig is als eveneens de act, maar wanneer het doel niet de oorzaak is van act dan is de act niet intentioneel (Searle, 1983; Haugeland, 1990).

Dit wil niet zeggen dat de realiteit altijd zo eenduidig is. Zo kunnen intenties ten opzichte van elkaar in competitie gaan zodat de kritische intentie voldoende kracht moet vertonen in vergelijking met andere intenties (James, 1890; Wundt, 1902). Er zijn zelfs opponenten tegenover het causale gezichtspunt die het triviale idee afweren dat een intentionele act moet veroorzaakt worden door een intentie. Een individu kan gericht worden een actie uit te voeren zonder een werkelijke representatie van de act zelf. In deze context maakten Wakefield & Dreyfus (1991) het onderscheid tussen R-intentionaliteit and G-intentionaliteit. Waar R-intentionaliteit staat voor representatie-gemedieerde intentionaliteit staat G-intentionaliteit voor gestalt intentionaliteit. Deze laatste is een vorm van emergerende intentionaliteit en wordt ook wel goal-dependence genoemd.

Binnen de dynamic systems benadering wordt aangenomen dat het merendeel van ons gedrag emergeert vanuit een bottom-up activiteit waarbij verschillende beperkingen in rekening worden gehouden (Carver & Scheier, 2002). Veel acties worden niet door representaties van acties gegenereerd. Maar zijn wel het resultaat van verschillende interagerende invloeden die gecombineerd worden met een niet gespecifiëerde tendens naar het streven naar verhoogde coherentie. Een gelijkaardig gezichtspunt wordt aangenomen binnen de connectionistische benadering. Waar subsymbolische representaties worden gepostuleerd. Er zijn onderliggende processen die ervoor zorgen die zowel het gevoel van intentionaliteit als die de act op zich bewerkstelligen (Wegner, 2003).

Om deze tegenstrijdigheid op te vatten heeft Livet (2010) twee soorten intenties geformuleerd. Naast de motivationele intentie waarbij enigszins een bewust doel wordt gehanteerd is er de formatieve intentie die automatisch en onbewust doorwerkt. Deze laatste vertoont affiniteit met het leren in groep en houdt verband met het globale beeld dat men heeft over een situatie. Hierbij rekening houdend dat steeds de situatie in rekening dient genomen te worden om in een optimale ontwikkeling te voorzien. In wezen geeft dit ook aan dat minder bewust bekende zaken wel worden geleerd door dagdagelijkse interactie met de omgeving. Rowlands (2010) maakt in dit verband onderscheid tussen persoonlijke en subpersoonlijke verwerking. Een proces dat persoonlijk verwerkt licht het eigen subject in terwijl een proces dat subpersoonlijk verwerkt voor volgend verloop belangrijk is. Bij beiden soorten processen is het belangrijker dat de functie wordt vervuld dan dat een proces op zich plaatsvindt. Waarbij de algemene functie van een verwerkingsproces wordt getypeerd als het ter beschikking maken van informatie.

Volgens Grammont, Legrand, & Livet (2010) zullen we voornamelijk vanuit het eigen gedragsrepertoire leren. Deze familiariteit kan opgevat worden als een groep schema's die in mindere of meerdere mate bekend zijn bij een individu. Daar cognitie het doel heeft informatie beschikbaar te maken wordt aangenomen dat cognitie op zich intentioneel is. Dit betekent dat algemene positiename tevens van belang is voor formatieve intentionaliteit. Dit is een zaak van ervaring, gezien ervaring gebaseerd is op het empirisch blootleggen en ontluiken van informatie. De these is dus dat door het in de wereld zijn, cognitie op zich een zekere mate van intelligentie in zich herbergt.

In een verdediging over de enactively extended intentionality geeft ook Shaun Gallagher (2011) het belang van intersubjectiviteit aan. Door de integratie van enacted embodiment en extendedness hanteert hij twee aspecten die ervoor staan dat de acties in de wereld zelf van belang zijn. Hij verwijst hierbij naar ondermeer Husserl die het onderscheid maakt tussen operatieve intentionaliteit en act intentionaliteit. Bij de eerste wordt de aandacht verlegd naar de ervarende agent die intentioneel geëngageerd is met de wereld via acties en projecten die niet louter te reduceren vallen met mentale staten. Er wordt hiernaast expliciet nadruk gelegd dat er in wezen enkel sprake is van een lichamelijke intentionaliteit. Ook Merleau-Ponty (1945/1962) oppert deze gestuurdheid naar een doel of project en geeft aan dat we wel degelijk zo worden begrepen door anderen. Er is met andere woorden sprake van een externalistisch gezichtspunt dat aanneemt dat intentionaliteit iets is dat we kunnen onderscheiden via het gedrag en niet noodzakelijk verborgen is in ons hoofd.

Het neo-behavioristische gezichtspunt is hierbij te sterk gebaseerd is op het aspect van de observator die intentionaliteit afleidt. Wanneer we dit voor steeds meer mensen toepassen leidt dit tot een oneindige regressie. Deze opvatting is dus moeilijk bruikbaar voor collectieve doeleinden. Het neo-pragmatische gezichtspunt is origineel ook niet bruikbaar omdat het te veel introspectieve simulatie veranderstelt. Dit vormt een probleem omdat heel wat gedragingen die intentioneel kunnen worden opgevat niet als zodanig mogen worden geäccepteerd. Dit vormt natuurlijk een probleem gezien recente bevinden uitwijzen dat spiegelneuronen die erg belangrijk zijn voor zowel de eigen intentionaliteit als het toeschrijven van intentionaliteit bij anderen objectneutraal zijn. In het neo-pragmatische gezichtspunt wordt immers aangegeven dat deze introspectieve simulatie erg normatief wordt vormgegeven. Er dient dus een neo-pragmatisch gezichtspnt worden geformuleerd dat in essentie gebaseerd is op interactie in plaats van een te nauwe normatieve introspectie.

Gallagher & Mayahari (2009) geven verder in hun verhandeling te kennen dat er dient gezocht te worden naar subpersoonlijke aspecten van agenten die onbewust zich coördineren. Tussenlichamelijke processen zoals Merleau-Ponty () dat beschreven heeft.
Het motorische aspect is hierbij van significant belang doordat binnen de theorievorming rond intentionaliteit dit aangetoond kan worden. Gallagher (2) geeft aan dat de abstractie die men maakt van zichzelf en anderen van wat men strict motorisch doet en kan doen fundamenteel is aan ons brein. Verder is het van belang dat we lichaamsschema's hanteren die inhouden dat we ons binnen een mental space oriënteren die gebaseerd op zowel de motorische actie van onszelf als die van anderen. Dit resulteert in een nadruk op sociale contingentie die emergeert vanuit het interactieproces zelf. Hierbij wordt er dus van een reductie naar individuele agenten afgestapt en wordt de nadruk op de koppeling hiertussen gelegd. Met andere woorden: de ervarende agent is intentioneel geëngageerd met de wereld door acties en projecten die niet te reduceren vallen als simple mentale staten, maar houden een intentionaliteit in die zowel motorisch is als lichamelijk. Waarbij we het doel of project in eerste instantie niet ongereduceerd kunnen waarnemen in anderen.

Dit is meer basaal dan op taal gebaseerde semantische intentionaliteit. Enkel semantische processen zijn immers op bewustzijn gebaseerd. In se gaat het dus om een subpersoonlijke aanwenden om een verband te leggen te leggen met een persoonlijk proces. In die mate is de extendedness wel degelijk van belang en kan er hier dus gezocht worden naar psychologische toepassingen. Hierbij dienen we een taak te vinden die communicatieve of narratieve geldingskracht heeft. Een pragmatische taak waarbij andermans actie enkel affordance heeft. Eveneens feedback wordt geleid via dergelijke veronderstelde processen. Er is immers een complexiteit met de veranderingen in de wereld. Er zijn responsen van het systeem en er zijn responsen van zichzelf. Bepaalde delen van de wereld dienen dus geïncorporeerd worden in dergelijke praktijken. Hierbij moet echter steeds in rekening genomen te worden dat bepaalde gebruiken beter zullen worden verwerkt dan anderen. Hierbij speelt het aspect van iets zelf kunnen een grote rol. Vandaar dat een pragmatische taak dan ook zal dienen als onderzoeksobject van deze verhandeling.

Controle Ext. (B)

De input vanuit de omgeving is in het proces van terugkoppeling bij collectief intelligent gedrag van termieten erg belangrijk. Door het manipuleren van het gedrag, zoals de gang van bewegen, krijgt het andere informatie binnen die van bijzondere waarde blijkt. Ook wanneer het streven om geschikte informatie niet meteen wordt bereikt zal een termiet het gedrag aanpassen om toch tot de gewenste oriëntering te komen. We zien dus dat binnenkomende informatie gepaard gaat met gedrag dat ontegensprekelijk doelgericht is (Webb & Clark, 2015).

Naast dat dit gedrag geörganiseerd is rond het doelgericht implementeren van de omgeving dienen we te herkennen dat elke stap in het collectieve proces wordt uitgevoerd door een enkel individu. Dit wordt de agent genoemd en is in het voorgaande voorbeeld dus een individuele termiet. Indien een agent op een enigszins adaptieve manier een doel wil bereiken moet er daarnaast ook van informatieverwerking sprake zijn, en meer specifiek van een cognitief proces. Belangrijk hierbij is dat er een onderscheid kan gemaakt worden tussen enerzijds de omgeving en anderzijds zichzelf. In het gebied van artificiële intelligentie van machines wordt er ook wel gesproken van het bias-variety dilemma. Hier wordt aangenomen dat we door bepaalde regels die niet louter zijn gebaseerd op het oppikken van informatie we ons beter aan de omgeving kunnen aanpassen. Deze regels worden ook wel heuristieken genoemd. Wat dan gesupplementeerd wordt door een zich oriënteren op verschillen. Wel omdat deze methode op zichzelf vaak onvoldoende efficiënt zou blijken. In het geval van de termieten zijn de eigenschappen en acties natuurlijk anders gegeven dan bij mensen. Maar toch kunnen de kenmerken van dit onderscheid ook wel toegepast worden bij mensen. Een interessant concept dat hieruit voort kan afgeleid worden is het gebruik van context.

Door het gebruik van contextuele informatie gaan we eveneens gebruik maken van verschil naast een meer directe en regelgerichte verwerking. Er kan zelfs vanuit deze samenhang worden gesteld dat context essentiëel is voor een correcte aanpassing aan de realiteit, wat ervoor zorgt dat naast algemene weinig rechtstreeks toepasbare doelen eveneens een middel wordt voorzien om gepaste selectie van de respons te bekomen. Een agent stelt dus intelligent gedrag niet omdat het doet wat het wil doen maar omdat het de omgeving zo verwerkt dat zowel de eigen karakteristieken als die van de omgeving in rekening kunnen worden genomen. Door de abstractie van informatie uit de omgeving te combineren met eigen actie die teruggekoppeld wordt zullen we dus als mensen op een gelijkaardige wijze als termieten ons gedrag kunnen sturen. Wat in essentie van belang is bij het gebruik van context is het leggen van verbanden en samenhangen, en dit betekent dus dat nieuwe verbanden de mogelijkheid kunnen hebben om aanwezige samenhangen te corrigeren. Zo kan er tot een geïntegreerd cognitief systeem worden gekomen dat enigszins dynamisch flexibel is (Rupert, 2014).

Bij gevolg is ons organisatorisch vermogen meer variabel en geïndividualiseerd dan dat van termieten. Hoewel we meer dan we vermoeden afhankelijk zijn van contextuele verwerking. Bij studies van jonge kinderen toont men in het vakgebied van ontwikkelingspsycholgie aan dat bij false belief taken wel degelijk eerder van context wordt gebruik gemaakt bij de regulatie van de eigen acties en oordelen dan van wezenlijke overtuigingen of inzichten. Deze tendens blijft ook aanwezig doorheen het verdere leven en wordt niet vervangen of aangevuld als proces maar blijft quasi onafhankelijk bestaan. Deze distributieve manier van verwerking heeft vooral belang bij sociaal leren wat vaak progressief verloopt.

Het belang van contextuele informatie wordt ook aangetoond door Mon-Williams & Bingham (2008). Uit hun experiment blijkt dat wanneer de uitvoering van een oriënteringstaak wordt verhinderd de relevante informatie niet wordt benut. De verklaring die hieraan wordt gegeven is dat de abstracte projecties die bij een onverstoorde uitvoering wel worden gemaakt ervoor zorgen dat er een vrij accurate implementatie van informatie is vanuit de omgeving. Tevens kan men hieruit besluiten dat contextuele informatie niet altijd wordt benut en onverstoorde actie een significante rol speelt. Men spreekt van een probabilistisch verband, wat betekent dat bepaalde segmenten van onze ervaring beter worden gebruikt en aangewend dan andere. Dit met inbegrip van een inrekeningname van deze informatie. Het concept van regressie doorheen de tijd in de zin dat we meerdere informatie tegelijkertijd en doorheen de tijd hanteren wordt eveneens door Kahneman (2011) beschreven.

Putnam (1967) geeft aan dat mentale staten hierbij een non-computationele rol vervullen. Dit is zo binnen het gebied van communicatie maar kan ook van tel zijn bij processen als het incorporeren van de materiële externe realiteit. Het handhaven van systemische stabiliteit in een homeostatisch dynamisch systeem houdt immers in dat bepaalde kritische variabelen binnen bepaalde kritische grenzen worden gehouden. Niet alleen is dit gerelateerd met het gebruik van context maar ook met dat van representaties in het algemeen. Wat als cognitief telt moet vast gehouden worden door de complexe structuur van het innerlijke. Rupert (2014) geeft bovendien aan dat bij het memoriseren van informatie er meer kans is dat we iets niet verwerken wanneer dit zonder actieve participatie verloopt en dus louter via de omgeving wordt geregistreerd.

Dit idee krijgt ook vorm bij een nauwgezette interpretatie van Rowlands van het ecologische model van perceptie. Het gebruik van representaties wordt binnen de dit model uitsluitend toegeschreven aan gedrag. Indien we dit model volgen zou dit dan dus betekenen dat actie bepalend is op vlak van het aanmaken van nieuwe (perceptuele) representaties (Gibson, 1979). Het gebruik van representaties is echter niet zonder meer een evidentie. Hoewel het klopt dat de cognitieve wetenschap veel baat heeft door centralisatie door middel van een agent, blijkt het zo te zijn dat de mentale inhoud een vrij variabele inhoud weergeeft die sterk door de context wordt bepaald. Het hebben van representaties die nauw afgelijnd zijn met zowel de actie als de omgeving lijkt dus bij voorkeur aanwezig. Doch dient ook in rekening genomen te worden dat context in de meeste gevallen gericht is op de omgeving en dat er sprake kan zijn van beperkingen ten opzichte van het tot integratie brengen van het cognitieve systeem of de operatie als zodanig. Er moet dus enige flexibiliteit in de redenering worden voorzien met inbegrip van de kennis dat er geen sluitende data zijn in wanneer wel en wanneer niet contextuele informatie wordt gebruikt en duurzaamheid vertoont. Het debat rond substantialiteit en subjectiviteit is natuurlijk lang bestaande. Een belangrijke eigenschap van subjectivisme is immers dat het extern geörienteerd is (Bergson, 1908).

Wanneer zowel het gedrag als de context belangrijk is lijkt het aannemelijk dat dit een cummulerend effect heeft op het gebied van interacties die we aangaan. De Jaegher (2010) beschrijft interactie als een wederzijds geëngageerde gecoreguleerde koppeling tussen tenminste twee autonome agenten waar de coregulatie en de koppeling een zelfinstandhoudende organisatie constitueren in het domein van de relationele dynamica. Wanneer we dit aandachtig implementeren kunnen we net hetzelfde onderscheid postuleren dan dat van enerzijds gedrag of actie en anderderzijds context. Het eerste kunnen we gelijkstellen met enactive embodiment. Uiteraard is actie steeds embodied in de psychologie gezien een actie steeds wordt uitgevoerd via een agent. Anderzijds kunnen we de rol van de context relateren met extendedness. De combinatie van zowel embodiment als extendedness wordt door Rowlands als 'the amalgamated mind' beschreven en is volgens hem een ideale oriëntatie om het niet-Cartesiaanse standpunt empirisch te onderzoeken. Dit standpunt geeft aan dat ook het toegankelijk worden van informatie via het lichaam en uit de omgeving naast bij dat van het brein mogelijk is. Tevens wordt aangenomen dat mentale staten in het subject hier enigszins centraal mee gerelateerd zijn. Dit wil echter niet zeggen dat dit verband steeds rechtstreeks is, gezien dit fenomeen niet altijd onmiddelijk te observeren valt. Mogelijk onderzoek hiertoe zou betekenen dat groepen met een gezamelijke context of extendedness andere mentale staten vertonen dan andere verschillende doch vergelijkbare groepen. Op deze manier zou een verklaring geboden worden door middel van voorgaane samenhang. Eveneens is het relevant om de betekenis van de (inter)actie na te gaan inzake deze mogelijke constituerende factor.

Donnerstag, 28. Juni 2012

equilibrium: het zijn zonder behoeften.


"The organism is a biological unit whose internal activities tend toward a relation of equilibrium. To maintain these functions and their equilibrium the organism directs itself in the strongest way to the surroundings, engaging in a constant commerce with them... In the environment the organism seeks first a field of operations, a region in which it can move and act in accordance with its structure. It is sensitive to those aspects of the surroundings that are of prime relevance to its life function."

(Asch - 1952)


Redenen voor een breuk verleggen meestal het probleem naar jezelf. Meestal is het daar te zoeken.

Deri Morgan - Save the world tonight

Dienstag, 26. Juni 2012

emotie/gevoel als middel tot bewustzijn.

Hoe kom je tot het beste bewustzijn? Je zou kunnen stellen dat je het bewustzijn als zodanig kan doorgronden. In wezen is dit niet het punt dat Heidegger aanneemt. Volgens hem is emotie zeer belangrijk. Neem nu een emotie zoals verveling. Bij wat er ontstaat bij het zich focussen op een gevoel wordt er als het ware niet zozeer op het bewustzijn zelf nadruk gelegd maar op de sensaties, die de theorie van Kant volgend, kunnen vertaald worden in concepten. Dit zal uiteindelijk een veel betere bewustzijn met zich meebrengen door het feit dat er van onwaking sprake is. Het bewustzijn in actie is dus veel meer betekenisvol dan een analyse van bewustzijn is. Dit is natuurlijk relatief. Wel omdat ook dingen doen die je graag doet (in mindere of meerdere mate) ook gevoelsgeladen is. Zich focussen op gevoel brengt echter wel met zich mee dat intuïtie meer op de voorgrond komt te staan. Filosofie bevat veel intuïtie en ergens geeft Heidegger dus aan dat hoewel men ervan uitgaat dat psychologisch we de dingen als beter aanvoelen dan ze zijn (vermoedelijk niet zonder reden) dit Dasein toch een zijn uitlokt of doet ontwaken dat beter fundamenteel is dan de onderdrukking van gevoel. Dit is lijnrecht in tegenstelling met mijn opvatting dat altijd de moeilijkste beslissing maken veel gunstiger is (zeker op lange termijn) dan je gevoel volgen. Het wordt me zo toch wat te gemakkelijk. Ik heb anderzijds wel het verstandelijk gevoel dat ik te veel aan me laat voorbij gaan wanneer ik probeer te genieten. Al vormt dit wel een probleem, de onmogelijkheid om te genieten. Alles moet een doel hebben, alles moet zin hebben en passen in de puzzel. De dood lijkt hierbij totaal uit te bannen. Hoewel normen zich baseren op omgaan en vooral vermijden van "de dood" negeer ik hem en geef ik er hypersensitieve affectie aan. Mijn gedrag is dus zowel als te beschrijven als te normatief en te weinig. Er dient ooit iets te komen dat organisch is en dat is eigenlijk wel mogelijk. Hoewel ik ben opgevoed in vrije omstandigheden en met een moraal van hard werken. Die contradictie komt dus terug in mijn opvoeding. Die zeer idealistisch en verwaarlozend is tegelijkertijd. Ik ervaar ze toch sterk als een opvoeding van gevoel, sterke emotie (schaamte en schuld) bij alles wat je doet en vooral veel afkeuring voor wat je doet als anders en overdreven goedkeuring en irreäliteit voor wat overeenkomstig is. Dit gevoel is dus voor mij echt een kernaspect. Vreemd dat ik hier nu meer tot kom. Intellectualisering is goed doch het moet zich aansluiten bij de eigen intuïtie die dus zoals Kant stelt omgevingsgebonden is. Nu voel ik me gevangen. De situatie is gekenmerkt door hoge ideële eisen doch mogelijk projecteer ik dit, en tegelijk zijn er te redelijke eisen in verhouding met het thema op zich. In wezen laat ik me te veel door de afkeuring leiden en baseer ik me in mijn algemeen gedragspatroon te veel op korte termijn doelen die ik als lange termijn doelen interpreteer. Met logisch resultaat.

Ryan Huston - Do what you love

tijd en zijn.

Als men aanneemt dat niet zozeer tijd een invloed heeft op het zelf als zodanig maar alleen in analogie met de faculteit psychologie een ivloed heeft op afzonderlijke processen ontstaat er een probleem in verband met de kenmerken van het zelf. Uit mijn vorige post kan worden geconcludeerd dat het zelf complex is en continu in verandering, zelf wanneer dit zelf als zodanig en deze verandering dus ook niet direct waarneembaar is. Door het afstand nemen van de faculteit psychologie en het veréénzelvigen van tijd met Erzijn (Dasein) kan men dit probleem oplossen. Het bekende werk van Martin Heidegger 'Zijn en Tijd' bedoelt dus een identiteitsgelijkheid. Niet zozeer een gevolgtrekking.

Ik vind het zelf nogal moeilijk om tijd helemaal met het zelf gelijk te stellen. Ik snap de interpretatie wel dat wanneer je Dasein met tijd gelijkstelt dat er dan overeenkomst is van eigenschappen. Ik snap ook dat wanneer een gelijkheid wordt "getrokken" die betrekking heeft op identiteit dat er dan iets hoger, als is het maar op intellectueel vlak, emergeert. Ik begrijp ook dat een interpretatie in de zin zin van duratie (een stroom) in plaats van een sequentie van afzonderlijke momenten een constante beweging in zich houdt. Conceptueel lijk ik dus te snappen waar het over gaat. Doch zijn er wat tekortkomingen in mijn begripsvermogen in relatie met wat ik eerder opgevat heb als tijd. Ik heb tijd nooit als een bezit aanzien. Iets dat zeer waardevol is. Ik heb tijd nooit betrokken met het leven. Ik heb het altijd als iets los van onszelf gezien en nooit als iets dat onze processen vormgeeft (zeg maar een "gelukstreffer" door de natuur door middel van adaptatie) laat staan dat we zelf tijd zijn. Ik ben bang van het louter taalmatige van deze filosofische analyses. Ik ben tijd, zeg nu zelf, de meeste mensen zouden raar opkijken. Nee de meeste mensen spreken van "ik heb tijd" of "ik ben in de tijd". In wezen is dit ook wat Heidegger "aangeeft." Gezien we nooit bewust zijn van onszelf.

In de analyse van de verschillende verwerkingen maakt men een onderscheid tussen perceptie, herinnering en herkenning. Het eerste is samenhangend met het heden, het tweede met het verleden en het derde met de toekomst. Dit is een sequentiële opeenvolging maar volgens de logische opvolging komt herkenning als eerste. Hierbij is er een soort "pop-out" die als functie heeft de identiteit constant te houden. Zelfs als de inhoud van gedachten verschillend is houden we betekenis ervan ergens samenhangend met het voorgaande. Nu goed, hoewel er wordt aangegeven dat deze eigenschap essentiëel is om te denken kan je dit ook zien als een spinsel. Geeft dit werkelijk een psychologisch essentie van de herkenning weer? Het is wel zo dat vanaf zelfherkenning perspectief voor de toekomst ontstaat doch dit blijft veraf van het gelijkstellen met een psychologische functie. Je lacht omdat je iets fout herkent dat mogelijkheid heeft tot iets goed. Maar wat zegt het herkennen van een weerkomend vierkantje. In elk geval, veel minder. Geheugen wordt gelijkgesteld met fantasie. Het is door herinnering dat we onze fantasie ontwikkelen en in wezen bestaat de kern van onzelf uit herinnering volgens Kant in tegenstelling met Heidegger die veel meer essentie legt op de herkenning. Iets wat dus veel meer op interactie is gebaseerd dan op het interne leven. Niettemin blijft de ervaring belangrijk al wordt die onderscheiden van het Ik als zodanig. De twee kunnen natuurlijk ook samen als een levenslijn gezien worden.

De verschillende opinies representeren goed dat er ontologisch inderdaad geen zekerheid bestaat. Men kan dus alleen spreken van kenmerkanalyse maar wanneer men categorieën gaat creëren valt men door de mand. Het is een leerproces natuurlijk maar het is frustrerend om niet tot kantklare hapjes te komen. Men spreekt elkaar tegen.

Montag, 25. Juni 2012

doorheen alle bewustzijn is het "Ik denk" één en hetzelfde.

Kant geeft aan dat niet de verbeelding belangrijk is bij de productie van temporele ervaring. Er zijn hierbij twee mogelijkheden: de wereld of onszelf. Uiteindelijk wordt alles gereduceerd tot het Ik. Men kan dit de identiteit van apperceptie noemen en is compleet leeg van inhoud.

De methode die Kant toepast op gebied van de genese van ervaring wordt faculteit psychologie genoemd. Er wordt gesteld dat de mind de bron is van tijd (toen nog niet analoog met wat fenomenologen expliciet als tijdelijkheid omschreven). Faculteit psychologie kan als de voorloper van de hedendaagse cognitieve wetenschap worden beschouwd. Het is het eerste computationele model om de productie van ervaring door de mind te verklaren.

De mind is hier geen tabula rasa of black box. Ervaring is de output van een ingewikkeld proces van synthese hetwelk zichzelf niet ervaart. De input komt van de faculteit van sensatie en wordt intuitie genoemd. Deze worden verwerkt tot concepten door de faculteit van begrip. Dus de data komen van de wereld en de concepten van de mind. Een interessante implicatie is dat gevoelige mensen per definitie meer intuitief zijn. Concepten zonder intuities zijn leeg en intuities zonder concepten zijn blind.

Tijd is volgens Kant een vorm van intuitie maar geen inhoud van intuïtie. Tijd is geen concept omdat het een éénvormig fenomeen is, een singulariteit. Concepten capteren alleen generaliteiten, geen singulariteiten. De intuïtievorm tijd bepaalt dat ervaringen successief zijn in de tijd.

Een belangrijk concept binnen Kant is persistentie of permanentie. Hoewel perceptie continu verandert, verandert tijd zelf niet. Tijd is alleen het kaderwerk voor perceptie of beter de verandering van ervaring. Kant zegt dat het zelf zowel beperkt is door tijd als onafhankelijk van tijd. De finitude van de mind wordt niet bepaald door de berperkingen van het overleven, waardoor de tijdsgebonden natuur van ervaring. Tijd is een a priori conditie van elke ervaring (weten is bewustzijn van verandering) zelfs wanneer het niet gethematiseerd is in de ervaring. Voor Kant is de enige onmiddelijke ervaring uiterlijke ervaring en innerlijke ervaring wordt alleen gemedieerd.

Alleen een zeer minimaal gedeelte wordt vrijwaard. Het "wat" als empirische cognitie is een innerlijk intuïtioneel subject. Tijd is hierbij alleen mogelijk door het onmiddelijk bestaan van uiterlijke objecten. Het materiële hiervan is a priori bepaald door een presuppositie (een voorwaarde voor coherentie en mogelijkheid). Hieruit wordt tijd gedetermineerd en verandering vorm gegeven. In afhankelijkheid met de omgeving.

Tijd veroorzaakt alleen cognitie als een verandering van determinaties, maar niet van het te determineren object. De inhoud is continu aan het veranderen binnen de structuur.

Bij de innerlijke intuïtie blijft niets bestaan omdat het Ik alleen het bewustzijn van het denken omvat. De eenheid of eensgezindheid van bewustzijn bewijst niet het bestaan van een permanent zelf. Er is dus, zoals gezegd geen vaste inhoud.

Tenslotte kan men stellen dat er geen Ik is zonder Het en geen Het zonder Ik. Het Ik is telkens anders. Enerzijds constituerend bewustzijn en anderzijds geconstitueerd. De eenheid kan niet van de intuïties komen omdat ze een multipliciteit zijn. Er is één enkele verwerker. Nul plus nul is nul.

Sonntag, 24. Juni 2012

stasis versus motion.

Tijdelijkheid. We gaan er vanuit dat veel zaken voorbij gaan. Alles gaat voorbij luidt het soms, alleen de stilte blijft.

In wezen hoeft men niet te stellen dat fysische tijd iets objectief is. Fysische tijd is een relatief en subjectief gegeven.

Het is daar waar de tijdelijkheid zich bevindt en voor ons schuilt in de tijd van ons leven.

We nemen de eenheid waar op het moment, wat op zich iets inauthentiek is. Hetzelfde voor iedereen. Onafgezien van de omstandigheden.

Maar we nemen ook de eensgezindheid van de tijdelijkheid waar doorheen de tijd. Wat ons tot de authenticiteit brengt en eveneens het verband legt met de fysische tijd.

De stroom gaat sneller of langzamer. Is subjectief en authentiek. De stroom op zich blijft objectief aan het gebeuren.

Zo contradictorisch dat we de verandering als iets subjectief beschouwen en de weg als iets objectief.

De mooiheid in subtiliteiten, onderscheiden en ingewikkeldheden komt te voorschijn bij geleefde tijdelijkheid.

Onze daden baseren zich op waarden en waarden baseren zich op het authentiek-inauthentiek onderscheid. Dit laatste biedt een resultaat van motieven. Uitkomsten, gevolgen, niet alleen van daden waar de eensgezindheid object is.

Aanvaarding, laat de schuld vrijuit. Geen schuld aan, maar een schuld voor. Alles mag zolang het getollereerd wordt. Je bent verantwoordelijk voor wie je bent, niet voor wat je omgeeft.

Maar de omgeving bepaalt wel de positiviteit inzover ze stil blijft en zich niet uitspreekt.

Een ethos in vrijheid en gebaseerd op vooruitzicht, niet zo zeer op wat niet authentiek is. De naakte feiten zonder ziel. Maar wel het object inclusief een inherent subject.

Geven en nemen is "robotica." Loslaten, leren door relaties, "worden."


Genesis - Hold on my heart

Montag, 28. Mai 2012

de intergerelateerdheid van veel dingen.

Vorige vrijdag hadden we Yoni Van Den Eede te gast. Een pas afgestudeerde doctor in de filosofie aan de Vrije Universiteit Brussel.

Hij zette aan met de presentatie van zijn poëzieboekje waarop meteen reactie kwam dat tegenwoordig er sprake is van een vriendenboekje bij het achtjarig zoontje (geloof ik) van professor Heylighen. Ook meteen werd de link gelegd met Facebook. De boodschap hierbij was dat de snelheid en intensiteit doorheen de tijd toeneemt en hieraan werd de hypothese gekoppeld in hoeverre liefde met technologie kan verbonden worden. Meer concreet: een McLuhanistische filosofie van technologie.

Een technologische liefde dus, wat gegrond kan worden op het 'amor fati' van Nietzsche. Amor fati wil zoveel zeggen als liefde voor het lot, het alles, een acceptatie van alles wat je overkomt. Op zich een heerlijk gevoel. Het één zijn met alles. Thema's die me eerder bezig hielden zoals "liefde is niet universeel" en "aan iets uniek gebonden" kwamen hierbij dan ook op eniger wijze dan ook aan bod.

Wanneer er een intergerelateerdheid is van veel dingen dan is de geest bevrijd en een overzienende frame over elk en deel van hun. Er is geen sprake van angst voor zo vele zaken. Met andere woorden: er is geen sprake van dissociatie maar van uniciteit. Uniekheid is dus een betere beschrijving dan universaliteit wat coherent is met mijn liefdesconcept.

De protoganist in zijn verhaal is dus Marschal McLuhan die in weze professor in Engelse literatuur is. Deze is bekend voor zijn one-liners en provocatieve stijl en methode. Zijn boeken bestaan als het ware uit paketten en ze kunnen ofwel als euforisch bekeken worden ofwel als chaotisch en obscuur. Voorbeelden van zijn one-liners zijn bijvoorbeeld: men are the sexorgans of technology; the name of a man is a blew which he never recovers; if you don't like these ideas I've got others.

Typisch aan McLuhan is dat er geen systematische theorie is, er zijn enkel clues. Er wordt gewicht gelegd aan interpretatieve geschiedenis en communicaties. Je kan hem eigenlijk als een mediatheoreticus beschouwen. Maar er zijn dus conceptuele problemen en tekortkomingen. Hij gaat niet uit van een technologisch determinisme wat alleen uitgaat van agency en effecten die alles in de maatschappij bepalen en economie en sociale factoren uitsluit. Hij heeft geen politieke visie maar is wel vrij conservatief en antropocentrisch, de mens staat dus centraal bij hem. Hij ziet het verband met technologie als in een liefdesrelatie. Om dit te vatten kan de continentale traditie in filosofie worden aangewend zoals fenomenologie en critische theorie.

Het punt waar hij op drukt is: "The medium is the message." Met andere woorden: er zit meer in de context dan we denken. Hij werkt hier naar een concept van collectief bewustzijn. Waarbij hij aangeeft dat in dit gebied misinterpretaties gemakkelijk te maken zijn. Hij geeft hierbij aan dat de media in wezen het subject uitmaken en het predicaat het object. Vorm en inhoud kunnen gelijk mee verhouden worden. De vorm kan op zijn beurt gelijkgesteld worden met artifacten en omgeving. Een tweedeling die eigenlijk niet te onderscheiden is. Effecten zijn hierbij van groot belang en vormen een "core term." Deze vormen op één of andere manier "states." Men kan niet wezenlijk spreken van instrumentalisme of essentialisme (een ding), er is eerder sprake van een inherente ambivalentie. De critische vraag die Yoni Van Den Eede hierbij stelt is dat er wel degelijk sprake is van ambivalentie en of blindheid in wezen geen betere beschrijving is van dit fenomeen. In het eerste geval zou McLuhan een element kunnen vormen voor een filosofie van technologie. Bijkomende vragen die hij hierbij stelt zijn: wat zijn de media / technologieën, wat met een technologisch agency en wat zijn de correlaten tussen de twee? Hij haalt hierbij ook Heidegger aan die aangaf dat de technologie het laatste era is van de westerse metafysica. "The final mark of our times." En hij probeert hier een oplossing voor te vinden.

Er wordt dus teruggekoppeld naar media. Dat zijn extensies van menselijke lichaamsdelen, senses, capaciteiten en functies. Dit laatste ook in de zin van capabiliteiten. "Wat is een medium, wat doet een medium?" wordt hierbij als een belangrijke vraag bekeken. Voor McLuhan zit de inhoud hiervan in films. En de inhoud is de gebruiker. Belangrijk onderscheid hierbij is de "stuff" die verlengd is en de "stuff" waar wij in verlengd zijn. "We become what we behold." Media worden dan bekeken als alles wat mensen maken. Hij maakt hier onderscheid tussen enerzijds vorm die bepaald wordt door extended media en new media en anderzijds inhoud die ons beschouwd als medium en oudere media. En wederom wordt de vraag gesteld: "what has love got to do with it?"

Hoewel Van Den Eede dit idee later relativeert stelt hij dat liefde dient te worden bekeken in een structurele betekenis eerder dan een emotionele betekenis. De "lover" wordt hierbij als het subject bekeken en kan vanuit filosofische antropologie bestudeerd worden. De "beloved" is het object en kan vanuit een substantiële ontologie bestudeerd worden. De "love" zelf is het medium en kan vanuit een relationele ontologie bestudeerd worden. Dit geheel is het structureel singulair leven. Waarop nog een historisch meervoudig niveau op aansluit. Al is het wel zo dat deze twee sterk met elkaar interreleren.

De "lover" is dus het subject wat aangeeft dat het een extensie is. Belangrijke les hierbij is dat we niet weten dat we onszelf verlengen. En we vergeten gemakkelijk dat we ook de oorzaak hiervan zijn. Dit idee is afgeleid van de "cyborg theory" van Andy Clark en "the extended mind" van Bob Logan.

Er wordt een humanistisch perspectief aangenomen. De mens is de "stuff" die verlengd wordt. Een betekenis van een betekenis is hetgeen de relatie vormt. Een idee dat ook wordt beschreven in het boek "I am a strange loop" van Douglas Hofstadter waarbij dus wordt aangegeven dat het zelf een hallucinatie van een hallucinatie is. We zijn niet en nooit bewust van ons echt zelf.

Men kan niet meer dan zich te laten medieren door liefde en het object van liefde als de grond te beschouwen.

Het probleem dezer dagen is dat technologie aan deze mediatie ontsnapt. Je zou kunnen stellen dat democratie eerder op de emotie jaloezie is gebaseerd dan liefde tout court. Iets wat meer het geval was bij de tijden van soevereine heersers. De vorm is de grond en beïnvloedt het "figuur."

Een belangrijk gegeven is dat niet zozeer de ontologie van Heidigger moet worden beklemtoond maar het ontische Dasein wat in wezen sterk antropocentrisch is. Leren is dus belangrijker dan weten. Men dient verder te gaan dan mediatie en vlucht en deze mediatie trachten te vatten. En wel op het secundaire historische niveau. Hoe ziet dit niveau eruit? Wat speelt er wanneer er vele "lovers" zijn? In dit geval ontstaan er onevenwichtigheden en een multipliciteit van extensies. Wat leidt tot machtsonevenwichtigheden en mediatie-van-mediatie. Technologie wordt door sommige dan bekeken als een poging van de elite om hun macht te bewaren. Het reproduceren van de enkelen over de velen. Een eigenschap die ook wordt toegekend aan fascistische systemen. En wat er gebeurd met het "beloved" object wordt ook als vraag opgeworpen. The theorie van "hybrid energy" wordt ook door Bruno Letour naar voren geschoven. En Kevin Kelly geeft in zijn boek "what technology wants" aan dat technologie de evolutie overneemt. Dit zijn moeilijke maar cruciale vragen die uiteindelijk neerkomen hoe de verschillende niveaus interageren. Er dient een structurele metafoor te komen (een metafoor is niet vast in betekenis). Wanneer alle dingen media zijn dan is liefde een mediale affaire op zichzelf.

Binnen de discussie gaf Weaver aan dat Plato bescheven heeft dat Eros, de God van de liefde, de zoon van noodzakelijkheid en overwinning (cunning) was en eigenlijk niet mooi was of een object van liefde. Hij was het agentschap dat naar schoonheid verlangde.

Het verband tussen esthetica en liefde dient dus samen te komen. Nu is er een grotere nadruk op estethica. Emotie kan hierbij een belangrijke rol spelen. In de design-studies krijgen deze thema's momenteel een rol.

Letour heeft het boek "devotion to religion" geschreven waarbij hij aangeeft dat de liefde voor technologie ergens een soort fout is. Al zijn er positivisten die het een weg naar democratie beschouwen en criticussen die "the few over the many" verkiezen. Men kan niet zo heel betekenisvolle "love-talk" als het herleggen van de connectie beschouwen. Zo is er bij een technologisch middel altijd iets dat ons "alumes." Wat in wezen de omgeving is. Het beeld verandert. Wat ontsnapt ons bij een medium als Facebook? Wat is het ambivalente deel? Wat is het idee achter straightforward? Het is nooit juist... Er zijn veel andere functies... De uitkomst is altijd onbekend, het kan altijd veranderen. Technologie staat nooit alleen, het is een deel van een netwerk. Systemen zijn open. Hoe kan men in dit geval tot betere omstandigheden komen, er zijn geen concrete antwoorden voor gevonden. Liefde is iets creatief. We zijn niet gefocused op artifacten maar omgeving en liefde is een manier om openheid te herdefiniëren. Liefde blijft een selectieve functie en op het structureel niveau dien je blind te zijn op het niveau van gebruik. Anders ben je niet in staat het te gebruiken. Men is bang dat er geen controlling mechanism is maar zo werkt het. Het is een flux in de geschiedenis en je weet nooit wie gaat winnen. Het einde van de filosofie is volgens Weaver hierbij niet wenselijk gezien het een liefde is en hier dus het antwoord moet worden gezocht.

A&E - Morning Parade

Moonbeam feat. Avis Vox - 7 Seconds (original mix)

Mittwoch, 23. Mai 2012

speech-acts als substantie van de sociale wereld.

Vorige week vrijdag hadden we een professor te gast tijdens het seminarie van de onderzoeksgroep ECCO. Zijn naam is Luk Van Langenhove en hij had iets te vertellen over speech-acts. Deze professor is verbonden aan 'United Nations' en een relatief nieuwe universiteit te Brugge. Hij werkt ook nauw samen met Rom Harré.

In het begin van zijn betoog geeft hij reeds aan dat speech-acts kunnen bekeken worden als de atomen van communicatie. Meteen verbreedt hij zijn mogelijkheden en geeft door middel van de 'positioning theory" aan dat dit wijde gevolgen kan hebben. Hierbij benadrukkend dat cognitieve staten als actors kunnen bekeken worden.

Een speech-act is in wezen een linguistische unit die een zekere betekenis bevat. Welke gevolg kan hebben ('persecutionary force'). Macht is dus inherent hiermee gerelateerd juist om het effect dat macht van op afstand bepaalde gevolgen kan instantiëren. Zo zijn er drie manieren om iets te bewerkstelligen. Ten eerste kan je het doen, ten tweede kan je het vragen en ten derde kan je technologie gebruiken.

Speech-acts hebben in eerste instantie meestal een kort fysisch leven. Maar ze kunnen blijven bestaan door middel van het geheugen. Ze hebben het potentieel voor een intern leven. Wat op zich onafhankelijk is van de persoon. Opvallendheden hierbij zijn dat tijd en ruimte relatief zijn (andere tijd, andere ruimte) en dat er steeds meer speech-acts zijn in onze getechnologiseerde en meer talrijke wereld.

Naast macht zijn er meer specifiek ook constitutionerende feiten die gebaseerd zijn op overeenkomst. Voorbeelden zijn huwelijk en geld. Door deze afspraken kan men worden. Zo wordt een baby een persoon door onze intentie deze als een persoon te behandelen. Volgens prof Van Langenhove wordt onze gehele ontwikkeling bepaald door een vorm van imitatie.

In de plaats van tijd en ruimte als variabelen in relatie tot atomen, verlegt hij de verbanden naar personen en verhaallijnen die speech-acts bepalen. Er is dus geen sprake van een lineair verband. Spel is binnen deze interactie zeer belangrijk. Hierbij is reactie voornamelijk een keuze en geen wet. Dit maakt het een zeer moeilijk te bestuderen fenomeen. Doelstelling is echter wel door deze sociale wetenschap tot nieuwe inzichten te komen van biologische fenomenen.

Ik zie het inderdaad als iets zeer complex. Wat iemand zegt heeft vaak een zeer diepe betekenis al vormt het vaak de kunst om niet te onthullend over zichzelf te zijn. Mensen die dat wel doen hebben vaak te maken met een zich gevend zelf. Een conceptie van te staan zonder te overwinnen blijft een te verkiezen en de meest gezonde attitude. Dit is ook een weerspiegeling van de creatieve kracht in zich.

Sonntag, 25. März 2012

het universum van de Veda.

Een belangrijk aandachtspunt die het Hinduïsme en het Boedhisme maakt "voorafgaand" aan de religieuze activiteit is een psychologische analyse. Meer bepaald wordt een aanname gemaakt rond bewustzijn. Men maakt onderscheid tussen twee vormen van bewustzijn. De eerste representeert een externe straal en is gebaseerd op de externe wereld. Hetgeen samengaat met bijvoorbeeld wetenschappelijk denken. De tweede vorm van bewustzijn is een interne straal en is een zich afsluiten van de externe wereld en vertrouwen op de eigen kennis. Dit onderscheid is belangrijk doch niet de essentie van de psychologische voorbeschouwing. Wat dat wel is, is het feit dat in wezen onze eigen kern sociaal is. We hebben het potentieel om door middel van sociale relaties onszelf te ontwikkelen en wijsheid te genereren die anders niet tot stand komt. Het sociale zorgt voor een purificatie van kennis. Deze attitude is anders dan de westerse attitude die veel meer uitgaat van individuele vrijheid en een geloof dat daarmee samengaat.

In wezen is zelfgenoegzaamheid kenmerkend voor beiden met het verschil dat onder vorm van het sociale zijn in het Oosten dit een betere connotatie heeft. Zilberman stelt dat door de werking van Upamana deze sociale identiteit door middel van het realiseren van een Vedisch universum voor vruchtbare resultaten zorgt. In wezen baseert men zich steeds op voorbeelden (beispiel in het Duits) die ervoor zorgen dat een oneindige vorm van denken wordt gecreëerd. Een bewustzijn zonder grenzen binnen eigen grenzen. De relatie leraar/leerling wordt hierbij als "voorbeeld" genomen waarbij de twee vormen van bewustzijn en kennis door elkaar worden verbonden. Dit verloopt in eerste instantie via de leerling en de taak van de leraar is vooral het voorzien van vormen. Typisch aan deze relatie binnen deze context is dat de leerling met de structuur zijn eigen ding kan doen. Het is niet zoals in het oudere Westen van de kerk waar snel met de vinger wordt gewezen. Binnen deze interactie is het belangrijk dat logisch denken aanwezig is (dit is een voorwaarde) en deze logica overstijgt zich dus op individueel vlak. Dit is echter geen filosofie en voor een filosofie te ontwikkelen moet er uit de sociale interacties en de verschillende contexten een overstijging ontstaan. Dit ontstaat door onderscheidend denken, een denken gebaseerd op verschil, en binnen een context die zelfgenoegzaam is. Die dus niet afhankelijk van externe gegevenheden is. Zoals een afgezonderde filosoof.

Dit principe is zeer belangrijk in het Hinduïsme gezien er veel varianten bestaan binnen deze religie doch zij worden allen verbonden met elkaar. Dit wordt gedaan door middel van de darsana's wat zoveel wil zeggen als visie. Op die manier wordt een onafhankelijke oneindige manier van denken gegenereerd die overeenstemt met het in zichzelf gekeerd bewustzijn.

De darsana's zijn:

Vedanta: gedachten als actie
Mimamsa: actie als gedachten
Nyaya: woord als gedachten
Vaisesika: gedachten als woord
Samkhya: actie als woord
Yoga: woord als actie

Op deze manier wordt het Vedisch universum gecreëerd binnen de Hindu-filosofie. Doch er gebeurt meer. Er wordt een levensstijl gepromoot die vrijheid binnen deze regels waarborgt. Zo kan er aan spiegeling gedaan worden, het symboliseren van bepaalde objecten. Tevens kan alles hierdoor worden geïnterpreteerd.

Het idee van universele liefde vind ik hierin terug omdat de gehele cultuur onafhankelijk van de andere realiteit staat. Het lijkt als een subcultuur al worden de darsana's als objectief beschouwd. Doel is steeds het tot oplossingen komen en vervolgens de-realiseren en dus terugbrengen naar het in zichzelf keren en relativeren (wat niet cultureel noch natuurlijk is). Het is in wezen een beloning krijgen voor het zich afsluiten van het andere. Doch wel hierbij de innerlijke kracht in zichzelf extra benadrukkend.

Heidegger heeft gesteld dat de beste weg van onderzoek naar het zijn het Dasein is. In wezen wordt hier ook gebruik van gemaakt. Al is het wel niet volledig zo kritisch dan in het Westen. Er is inderdaad wel een psychologische voorbereiding zou je misschien mogen stellen doch de kritische ingesteldheid vervaagt. In het Westen is een pluralisme wat uiteindelijk veel steun wegneemt en een geloof in universele liefde wegbant doch wel ervoor zorgt dat gedachten bij aanvang niet zo veel betekenen.

Wat wel zo is dat je kan stellen moest er trouw en geävanceerd rond deze oosterse manier van leven zou worden geleefd dat de zaken veel meer gestructureerd zouden zijn. In plaats van machtsverhoudingen zouden de achterliggende sociale krachtpunten worden aangesproken. Het leren als zodanig. Er wordt sterk benadrukt dat het hier eigenlijk om een leerproces gaat. Niet zozeer de majeure principes worden veranderd maar wel het leerproces als zodanig. De realiteit wordt in wezen eigenlijk niet ontkent.

Sonntag, 18. März 2012

het brain/mind onderscheid is problematisch bij groepen.

Het onderscheid tussen mind and brain is één dat vaak wordt gemaakt. Ook vaak wordt mind als iets gezien dat los staat van het brein, iets dat kan veréénzelvigd worden met de vrije wil. In wezen heeft het onderscheid bitter weinig te maken met vrije wil op zich. De mind is een extensie van het brein die emergeert als een gevolg van de vuurpatronen van neuronen. Ze staan in eerste plaats in relatie met kennis (en bewustzijn) en vooral met het leren en conditioneren. Uiteindelijk kan je stellen dat alle processen wel met mind te maken hebben omdat een brein zonder mind uiteindelijk breindood is.

Wanneer je het over het brein hebt spreek je over zaken als breinchirurgie en dergelijke. Ook scans als de f-MRI en PET zijn gebaseerd op de werking van het brein. De studie van het brein is er één van regionalisatie. Die van de mind van de resulterende eenheid. Al is het natuurlijk wel zo dat verschillende regio's verschillende gevolgen hebben op de mind.

Bij het bestuderen van groepen kan het brein/mind onderscheid niet zo eenvoudig gemaakt worden al bestaat er wel een concept dat de global brain heet. Het probleem is dat er niet een regio is in het brein dat verantwoordelijk is voor groepscognitie als zodanig. In wezen kan gesteld worden dat op niets in substantie processen emergeren die binnen een aggregatie werken.

De onderlinge relaties tussen de verschillende breinen vormen een factor die op zijn beurt nog eens in verschillende dimensies kunnen worden onderverdeeld. Gelijkheid in invloed, diversiteit van de inhoud van gedachten en onafhankelijkheid van positie zijn hierbij naar voren geschoven. Dus het is zo dat de invloed van elkaar uitbannen juist de invloed die men wenst te hebben vormt bij het maken van collectief wijze beslissingen.

Het concept "global brain" is dus problematisch gezien voor de psychologische aspecten in wezen vooral een basis gelegd wordt in de verhoudingen tussen de onderlinge subjecten en niet zo zeer in de onderliggende psychologische functies. Doch vormt onafhankelijkheid hierbij een uitzondering gezien onafhankelijkheid van positie ook een coping is en type verwerking is.

Elk criteria kan gevariëerd worden binnen een experiment, gelijkheid in invloed kan gemanipuleerd worden door bepaalde uitspraken door een expert te laten uiten, diversiteit kan gemanipuleerd worden door een grondtekst anders te verdelen over de subjecten en onafhankelijkheid kan gemeten worden door informatie niet en wel te communiceren.


Samstag, 17. März 2012

liefde is niet iets universeel.

Wanneer je het karakter van liefde nagaat is het niet iets dat universeel is. Universele liefde is een fabricaat van het verstand, van de humaniteit. Doch worden de klassieke eigenschappen (liefde is een gevoel, door zowel biologie als cultuur ingezet) hierbij voor een stuk niet in rekening genomen.

Liefde is een specifiekmaker en staat niet helemaal los van andere gevoelens. Bij het liefhebben wordt het universele ontkent, liefde is, het is ontologisch, niet zozeer ontisch. Liefde is niet gebaseerd op mogelijkheden in de toekomst. Het is alleen gebaseerd op vernauwing van de geest en het gevoel naar een weg van zijn.

Waar universaliteit in wezen in gang wordt gezet door haat, wordt uniciteit geëerd en betracht door liefde. Het zondert af, het geeft in.

Liefde is geen ideologie, liefde is secundair, het ontkent wat algemeen is en maakt de dialectiek tussen twijfel en conclusie één. Liefde is intuïtie, liefde is vergankelijkheid.

Losstaand en dicht waar nodig. Liefde is het licht in de duisternis, liefde is cultureel gevoel. Liefde is pathetisch en helend tegelijk. Liefde kent geen grenzen voorzover het object dit toelaat. Voorzover de ziel het gevoel verstaat. Liefde is niet in te denken zonder natuur én cultuur. Het eerste als bron, de tweede als leiddraad.

Wanneer de draad kwijt is, komt men niet tot de bron.

Liefde is.

de tragedie van het verleden.


Veel filosofen gebruiken hun eigen leven om hun filosofie te ontwikkelen. Eigen aan dit fenomeen is dat tijd erg belangrijk wordt. Men dient rekening te houden met de eigen tijdelijkheid en formuleert hiervoor thema's die belangrijk zijn. Een belangrijk kenmerk voor tijdelijkheid als zodanig en het heden meer specifiek is het gegeven dat elk moment erkenningswaarde heeft. Er wordt dus met andere woorden gevolg gegeven aan wat er gebeurt.

Op deze manier krijgt de ervaring meer geldingskracht en wordt er principaal op Dasein gefundeerd in de conceptie van de realiteit. Wat de methode met voorkeur is om het zijn te weten te komen. Het Dasein is altijd een antwoord op de toekomst en bij gevolg wordt men niet verstard in het heden. Het verleden wordt onderverdeeld in zaken die af zijn en zaken die nief af zijn. Het verleden dat niet af is is in wezen niet behorend tot het verleden.

Plato heeft gesteld dat niets binnen een werk ooit echt af is, op die manier blijft filosofie natuurlijk levend en behoort het niet werkelijk tot het verleden. Al kan men stellen dat dat de pure ontologische oplossingen uit de metafysica hedendaagse geldingskracht hebben.

Doch deze zijn niet op de toekomst gericht dus daarmee kan bijgetreden worden dat deze stroming minder relevant is geworden. Doch betekent dit niet dat mits nodige "Verwindung" deze gegevenheden niet tot problemen te herleiden zijn en dus bruikbaar worden voor de toekomst.

De eigen eindigheid dwingt ons tot zaken die niet gericht zijn op de toekomst. Tenzij we onze eigen eindigheid slechts als een pas in een oneindige dans zien. If they want us to dance, now let's dance!

:Wumpscut - Draußen

Montag, 5. März 2012

de trap naar verandering in slow-motion.

Verandering is slechts mogelijk bij het aanvaarden van wat is. In die zin kan je stellen dat zorg dragen om eerder met een betrokken instelling te maken heeft dan met een afzijdige en geïndividueerde. De dingen zijn beter geworden en dat brengt met zich mee dat mensen minder zorg om elkaar dragen. Wat dus niet wil zeggen dat het niet beter kan, dat er geen potentieel aanwezig is. Vreemd genoeg lijkt het zo te zijn dat het verwerven van potentieel ervoor zorgt dat we dit wensen te behouden en niet zo zeer wensen te veranderen of riskeren kwijt te spelen.

We willen alsmaar meer is op zich een relatief gegeven wat misschien wel telt voor dingen als geld maar op zich gedreven is door dierlijke verlangens en dus moeilijk naar het sublieme te vertalen is. Het mens zijn ligt hem in het benut van onze ziel, niet zo zeer van onze verlangens. Eens individuatie is bereikt op dit gebied heeft het weinig zin om meer te geven dan nodig, om meer zorg te dragen dan nodig. Wat nodig is bepaal je zelf in veel aspecten, er is geen nood naar ideologie.

Ik vind het jammer dat de mensen die het meeste geven om elkaar vaak (maar niet altijd) het hardste zijn in de praktijk. Dit is een wereld van liefde en haat. Van het externe dat zich hervertaalt in menselijk gevoel. Niet zo zeer in het dierlijke verlangen dat ons allen grondt. Liefde gaat vrijwel altijd samen met onzekerheid of angst. Of het nu om een discrepantie gaat van het dierlijk verlangen met de humane ziel, of om het aanvoelen van het bestaan van de ander vanwege een "gecultiveerd" gevoel van liefde. Het laatste is veel bewuster dan het eerste, intentioneler ook. Meer afgelijnd, stereotiepen kunnen een hierbij diepere cognitieve verwerking veronderstellen, ze worden een keuze. Men kan dit zien binnen een kader van persoonlijkheid. Al kan deze verwerking misschien in veel gevallen in geringe mate worden toegepast en het automatisme kan de bovenhand krijgen. Onze handelingen bepalen ons zijn, doch diep in ons blijft er een conflict bestaan tussen het dierlijke en menselijke. Persoonlijkheid is nooit finaal en altijd actualiserende act. La vie est "juste" une comedie. In wezen is humaniteit vooral het creëren van een manier van communicatie en samenwerking. Een kader om in te leven. Met als draad doorheen het verhaal: eerst zien en dan geloven.

Het creëren van een betere wereld vraagt enige tegendraadsheid tegenover de wereld an sich, tegen het verstand, tegen de ziel. Ja, ook tegen de humaniteit, hoewel op die manier de humaniteit juist wordt aangewakkerd en uitgedaagd.

De vrijheid van de anarchie is in wezen een onverschilligheid tegenover de wereld die ervoor zorgt dat forcering gebannen wordt en de wereld op eigen adem een leven kan leiden. Leven "voor" een dergelijke groepering is in wezen een tegenspreken van je eigen angst en keuze. Het is een leven met de ander voor de ander. Leven "in" dergelijke groepering is één van vrije zelfcontrole gebaseerd op democratische principes. Autoritaire macht wordt beperkt tot het noodzakelijke en "niets krijgt" wordingskracht. Wat is blijft een onvoldongen feit, een mysterie, een onwetendheid. Wie je bent als natuur en wie je bent in het recent verleden (het heden zoals we het kennen) krijgt de bovenhand. We doen het allemaal zelf.

Het is de opwaartse beweging van het leven, de trap naar verandering in slow-motion.

Mira - Opgetut (lyrics)

Mittwoch, 22. Februar 2012

wat men logica noemt.

Hoewel ‘Wissenschaft der Logik’ door Hegel een behoorlijk oud werk is inspireert het me en ken ik er betrouwbare waarheid aan toe. De idee die de esoterische leer van Kant oppert, dat het verstand de ervaring niet mag overtreffen, spreekt me erg aan.

Hegel oppert dat voor geschiktheid in het openbare en private leven theoretisch inzicht schadelijk of nadelig is. Zo neemt hij als voorbeeld de theologie die een wetenschap is “tegen” gevoelens. Het eeuwige wordt herleid naar nieuwe samenhangen waarin het eerder bemerkte betracht kan worden maar hiermee een in zich zelf gekeerde geest als resultaat heeft. Er wordt vastgehouden aan (introverte) bepaaldheden.

Zo erg is het niet met de logica vergangen waar niet wordt gesteld dat wat je voor jezelf denkend leert voor je goede en slechte kanten hetzelfde is. Dit is een vooroordeel en niet in samenhang met de (uiterlijke) realiteit, aldus Hegel.

Een ander probleempunt is het negeren van algemene verandering en hierdoor van het wetenschappelijke uit te gaan. Bij het steeds negatiever wordend negatief verhoudend weten ontstaat er een positieve belangrijkheid en een inhoud die zich reflecteert in steeds nieuwe voorstellingswijzen. Een kritische instelling loont.

We bevinden ons in een periode waarin het belangrijk is dat individuen principes aanleren en behouden al is het zo dat het de hogere vordering is dat deze tot wetenschap maakt.

Logica houdt zich in wezen vooral bezig met de aard van tegenstellingen. Zonder logica kan enkel de aard van de inhoud bestaan, hetwelk zich op wetenschappelijk herkennen beweegt, hetwelk eigenlijk de betekenis uitmaakt.

Het verstand bestemt en houdt de bestemmingen vast. Het "Vernunft" is negatief en dialectisch omdat het de bestemmingen van het verstand in niets oplost. Er is sprake van een relativering van de gedachten. Maar het Vernunft is ook positief omdat het het algemene getuigt en het bijzondere daarin begrijpt. Daarnaast wordt dus ook erkend dat er een object aanwezig is. Het dialectische Vernunft "negeert het eenvoudige" en zet zo het bestemde onderscheid van het verstand en lost het evenzeer op. Er bestaat de natuurlijke neiging om een hogere vorm van ingewikkeldheid te bereiken, die dus wordt gerelativeerd. Op die manier is het dialectisch. Het resultaat hiervan blijft echter niet bij niets maar wordt hersteld tot iets algemeen dat op zich concreet is.

Dit alles bevindt zich in een geestige beweging of ontwikkeling van begrip. Enkel door deze zelfconstruerende weg kan de filosofie een objectieve gedemonstreerde wetenschap zijn. Binnen dit kader werd door Hegel bewustzijn onderzocht. Bewustzijn is volgens hem de blijkende geest die zich op zijn weg van zijn directheid en uiterlijke concreetheid bevrijdt van pure wezenlijkheden en ze in tegenstelling brengt. Het resultaat zijn pure gedachten van de zich in wezen denkende geest.

"Het denken" is het voornaamste wat dieren van mensen onderscheidt. In elke voorstelling dringt het spreken zich door en alles waar het spreken zich mee moeit verhult zich een categorie. In wezen is het logische eerder bovennatuurlijk dan natuurlijk en het is typerend aan het mens zijn. De denkbestemmingen worden hierbij in "tegengestellingsvorm" uitgedrukt. Nieuwe bevindingen vertonen het gevolg dat ze "tot algemeenheden worden" wat een overgang betekent vanuit de positie van tegenstelling. Al is het zo dat wat bekend is daarom herkend is. Er is dan sprake van een nog zoeken in het reeds bestaande.

Het begeren en willen is in wezen geen menselijk begeren en willen. Dit herkennen is een beginpunt van de tegenstelling van de betrachting. Dit betekent de aanvang van zelfherkenning. Daarom is ook het eigen maken van pure gedachten een grote stap vooruit. Dit eigen maken gebeurt door middel van de gebruiken die men hanteert.

In de jeugd is de interesse voor het echte leven nog niet aangetreden en erkent men de ware categorieën nog niet. In het leven gaat het om het gebruik van de categorieën. Ze worden vanuit de eer betracht en daarop herafgezet in het geestige bedrijven van levendige inhoud binnen het zich settelen en het uitwisselen bij het aandienen van voorstellingen.

Wanneer er geen "inhoudsvolle werkzaamheid wordt toegeschreven aan denkbestemmingen", wat ooit de natuurlijke logica genoemd is geweest, is er sprake van "bewustloosheid." Wanneer de wetenschappelijke reflectie van de verhouding als middel dient, wordt het denken enigszins tot iets dat de andere geestelijke bestemmingen ongeördend maakt. Het gevolg is dat we onze eigen ervaringen, driften en interesses niet als iets beschouwen dat ons dient maar veronderstellen dat we deze zelf zijn. Het is echter zo dat dit veelmeer tot ons bewustzijn kan komen door in dienst te staan van onze gevoelens, driften, lijdzaamheden, interesses en gewoontes alsof we ze in bezit hebben. En minder wanneer we ze in eenheid met onszelf als middel dienen. Dit mechanisme is een buffer tegen een te gemakkelijke algemeenheid en hierdoor hebben we onze vrijheid.

De gedachten in relatie met onszelf voorkomen dat we met met andere zaken meer in contact zijn. Het sluit ons af van andere zaken.

De tegenstellingen van de voorstellingen waarmee de interesse vervult is gelden als vorm. Het is echter zo dat wat voorheen aangegeven is en wat in het algemeen toegestaan wordt (wat door toeval en gevalligheid wordt bepaald) de eigendom en het mens daarin zijn uitmaakt. De situatie is inhoud.

Doch moet ook erkend worden dat dit een relatieve realiteit is en dat er van meervoudige bestemdheden sprake is op gebied van inhoud. Uiteindelijk is de diepere grondlaag van de ziel bepalend. Deze logische natuur, die de geest bezielt, en hem drijft en doet werken, om tot bewustzijn te brengen (wat uiteindelijk de opgave betekent). Het instinctmatige onderscheidt zich van het intelligente door de aanwezigheid van bewustzijn. Contact met de veranderende realiteit is hierbij onontbeerlijk.

Samstag, 15. Oktober 2011

de situatie is complexer dan de persoonlijkheid.

De ‘clash’ tussen wat persoonsgebonden is en wat situationeel is hangt samen met wat individueel is en collectief. We hebben allen de tendens om vanuit onze perceptie de act meer te verbinden met persoonlijke kenmerken (en eigenschappen) dan met de situatie. Hoewel aangenomen wordt dat in alle gevallen ook situatie een rol speelt. De rol van het situationele kan onder dwang meer worden waargenomen. Met andere woorden, wanneer er door instructie of bewustmaking meer aandacht naartoe gaat. Maar van nature hebben we eerder de neiging om gedrag aan persoonlijkheid toe te schrijven.


Het concept van een spontane attributionele activiteit dat zowel situatie als persoonlijke dispositie in rekening neemt is dus in tegenstrijd met veel psychologische experimenten. Hoewel deze bevinding meestal gebaseerd is op condities waarbij het intentionele overt bewuste denken wordt gemeten mag worden gesteld dat er reeds een grond hiervan kan liggen bij spontane of automatische processen.

Onder hypothese dat we een integratie maken tussen persoonlijke en situationele aspecten dient dus in wezen gesteld worden dat dit onbewust verloopt. Een belangrijke vraag is of dat eerst de connectie wordt gelegd tussen gedrag en persoon of onmiddelijk de situatie in rekening wordt gebracht. Ten slotte van rekening kan ook de situatie in bepaalde gevallen onmiddellijk worden gepercepieerd. Hoewel geleerd wordt dat in veel gevallen de situatie minder opvallend is.

Ik stel me hierbij persoonlijk de vraag of we van nature geneigd zijn om ook de situatie in rekening te nemen. Is er sprake van een proces dat tot ontwikkeling komt door leerervaringen of ligt het reeds bij aanvang vast? Het zou kunnen dat we inherent de eigenschap bezitten om de situatie ook onmiddellijk in rekening te nemen doch dit doorheen de tijd enigszins afleren (of te weinig tot ontwikkeling laten komen).

Onder dit gegeven dient in rekening genomen te worden dat er sprake is van een proces dat kan aangepast worden door leerervaringen. Wat betekent dat de situatie zelfs op de voorgrond kan komen te staan in het verklaren van gedrag.

Het in rekening nemen van het concept spel brengt met zich mee dat de situatie belangrijker wordt. Spel is een sociaal gebeuren, wordt gedeeld door verschillende individuen. Bezit een realiteit die enkel een essentie bezit wanneer deze wordt gegeven en deze wordt gecreëerd. Dit artificiële aspect maakt dus ook dat het reversibel of aanpasbaar is. Misschien hebben mensen inherent de neiging om dit mechanisme te verstaan en er zich door te laten leiden. Doch worden we door normen en gewoontes tot essenties gedwongen. Zo kan de gewoonte om een persoon waar te nemen, eerder dan de situatie, ervoor zorgen dat we ook dergelijke conclusies gaan trekken. Een essentieloze realiteit is echter iets anders dan de situatie als essentie en de persoon als essentie. Doch is het wel zo dat situatie als meeromvattend en variabeler kan beschouwd worden en dus misschien meer verband houdt met spel zonder essentie.

Gedrag dat te verklaren valt door een situatie is gedrag dat zijn grond vindt van buiten uit. Er is sprake van gehoorzaamheid of inschikkelijkheid. Zelfs als het een vrije keuze is kan gesteld worden dat de bron van het gedrag elders ligt. Dit elders kan in wezen als een ‘niets’ worden beschreven gezien uiteindelijk de daad door het individu zelf wordt uitgevoerd. Het 'niets' is een belangrijk concept bij het globale spel. Uiteindelijk ervaren we de meeste gebeurtenissen ook zonder echt duidelijk omlijnd kader van normen en regels. Binnen de postmoderne filosofie wordt aangenomen dat een globaal spel als gevolg heeft dat mensen het beste functioneren wanneer ze gehoorzaam zijn aan de onuitgesproken regels van de maatschappij. Ze worden hierdoor in wezen gereduceerd tot poppen. Wat een gezonde ontwikkeling als gevolg zou hebben.

In wezen wordt er hier een link gelegd tussen enerzijds het situationele aspect en anderzijds het persoonlijke aspect. Doch wordt ook beschouwd dat er bepaalde regels bestaan die worden gevolgd die gebaseerd zijn op gehoorzaamheid. Het gehoorzamen, ge-hoor-zamen, wat in wezen op iets echt en collectief is gebaseerd vormt een regelsysteem dat zich binnen de interactie met de omgeving ontpopt. In wezen kunnen we dus stellen dat leerprocessen belangrijk zijn om die regels te aanvaarden en ze ook enigszins toe te passen bij de observatie van anderen.

Vanuit deze optiek is het concept van motieven, van trekken-binnen-situatie moeilijk te realiseren. Wanneer de situatie als psychologisch gegeven een variabel fenomeen is dat niet valt te bepalen kan dit betekenen dat het effect minder sterk wordt naar een conclusie toe. De situatie is meer complex dan de persoon binnen onze waarneming en dit kan een ecologische waarde hebben. Het zich hechten aan de persoon is immers mogelijk een manier om om te gaan met deze complexiteit. Doch valt te onderzoeken dat het al dan niet afleiden van trekken minder sterk kan verlopen door de situatie. Omwille van ethiek op basis van evaluatie

Samstag, 10. September 2011

het spontane proces als construct.

De afwezigheid van een intentie die een directe invloed tot stand brengt binnen de verwerking van informatie is een eerste kenmerk dat typerend is aan een spontaan proces. Het begrip intentie betekent dat er een engagement bestaat om tot een korte termijn doel te komen. Bij een intentioneel proces daarentegen dient echter ook het doel op een direct causale manier bereikt te worden (Moors & De Houwer, 2007). De functie van de intentie is hierbij de initiatie van de mentale act in gang te zetten (Bargh, 1994). Om een spontaan proces uit te sluiten is het voldoende dat er een intentie aanwezig is waarvan het verwerkingsdoel overeenstemt met het resultaat van het proces waar men in geïnteresseerd is. Zo zal bijvoorbeeld het doel om een indruk te vormen van een persoon het onmogelijk maken om een overeenstemmende spontane inferentie te maken. Andere samenlopende processen waarvan het resultaat niet inhoudelijk overeenstemt met een intentie kunnen indien ook aan de andere voorwaarden van spontaniteit wordt voldaan wel als zodanig worden beschreven. Hierbij dient men zich echter bewust te zijn van de mogelijkheid dat niet overeenstemmende verwerkingsdoelen een invloed kunnen hebben op het verloop en resultaat van spontane processen. Uit een experiment van Moskowitz & Uleman (1987) is daar bijvoorbeeld aanwijzing voor gevonden. Proefpersonen kregen als instructie twee opdrachten quasi gelijktijdig uit te voeren. Deze dubbeltaak bestond enerzijds uit het begrijpen van aangeboden zinnen en anderzijds uit het zich concentreren op het lettertype of de fonemische aspecten van de zin. Er werd in geen enkele conditie een persoonlijkheidstrek afgeleid. Terwijl dit zonder bijkomende taak wel het geval was. De onderzoekers concludeerden dat dit te wijten was aan het verwerkingsdoel van de tweede taak.

Een tweede kenmerk is efficiëntie. Dit concept is afgeleid vanuit de opvatting dat er slechts een gelimiteerde aandachtscapaciteit beschikbaar is. Men is tot deze conclusie gekomen door ook hier bij cognitieve taken gelijktijdig een supplementaire taak aan te bieden. Wanneer de tweede taak de impact van de prestatie voor de eerste taak niet doet afnemen wordt er van een efficiënt proces gesproken. Men kan echter nooit weten dat deze extra taak de volledige aandachtscapaciteit uitput. Bij gevolg kan niet met zekerheid aangetoond worden dat een proces zonder aandacht verloopt. Men veronderstelt dat bij een efficiënt proces slechts een minimale hoeveelheid aandacht wordt gebruikt en dat dit binnen een gradueel continuüm kan geplaatst worden (Moors & De Houwer, 2007). In het geval van de efficiëntie van trekinferenties stelt men vast dat bij het aanbieden van een supplementaire geheugentaak persoonlijkheidstrekken wel degelijk worden afgeleid (Uleman et al., 1992).

Als derde kenmerk wordt het feit naar voren geschoven dat spontane processen onbewust tot stand komen en onbewuste representaties als gevolg hebben. Hier is op de meest uitgesproken manier sprake van wanneer het stimulusmateriaal niet bewust wordt waargenomen zoals in het geval van subliminale aanbiedingen. Meestal bedoelt men echter dat er geen bewustzijn bestaat over de categorisatie of interpretatie die men maakt of welke factoren de respons beïnvloeden (Bargh, 1994). Vermits er in dit onderzoek geen sprake is van subliminale aanbiedingen worden enkel de overige vormen verondersteld. Dit betekent dat de situatie steeds op een bewuste manier wordt begrepen. Enkel de inferenties die worden afgeleid en de verbanden met eventuele factoren die hier een invloed op hebben zijn onbewust. Men maakt het onderscheid tussen enerzijds prebewuste processen en onderzijds postbewuste processen. Van de eerste wordt verondersteld dat ze vooral stimulusgedreven zijn (Moors & De Houwer, 2007). Zo combineren we bij het lezen van een zin onbewust de verschillende taalkundige onderdelen zodanig dat we de zin doorgaans onmiddelijk begrijpen (Wyer & Srull, 1989). Primes en chronische toegankelijke constructen kunnen hierbij medeverantwoordelijk zijn voor de betekenis die toegekend wordt. Postbewuste processen vereisen daarentegen een bewustzijn en vormen op basis hiervan een gerichte aandacht (Bargh, 1989) die niet intentioneel gestuurd wordt (Moors & De Houwer, 2007). Postbewuste processen zijn immers per definitie onbewust van aard (Bargh, 1989). Er wordt echter veronderstelt dat bewustzijn een gradueel fenomeen is (Cleeremans & Jiménez, 2002). Wanneer representaties voldoende sterk en stabiel worden (O'Brein & Opie, 1999) en de mogelijkheid bestaat om een coherente indruk te vormen (Bayne & Chalmers, 2003) kan er zich in principe een bewustzijn ontwikkelen.

Het vierde kenmerk dat in verband wordt gebracht met een spontaan proces is dat het onder bepaalde omstandigheden gecontroleerd kan worden. Binnen deze context bedoelt men dat er de mogelijkheid bestaat dat er verstoring kan optreden van het proces. Bargh oppert dat motivaties hier een belangrijke rol in kunnen spelen. Hij heeft hierbij aandacht voor enerzijds situationeel geïnduceerde motivaties en anderzijds intern gegenereerde motivaties. In het eerste geval is er sprake van een invloed die te maken heeft met de experimentele omstandigheden, bijvoorbeeld de neiging om sociaal wenselijke indrukken te hebben. In het laatste geval heeft de verstoring louter te maken met factoren binnen de persoon, bijvoorbeeld het in rekening nemen van andere informatie. Rechtstreekse aantoning van dergelijke effecten is er echter nog niet gevonden voor spontane inferenties. Wel heeft men reeds aangetoond dat afleidingstaken een verstorende invloed kunnen uitoefenen wanneer het begrip van de situatie vermindert (Uleman et al., 1992).

attitude en oordeel.

Onze persoonlijke psychologie is vooroordelend. Dit is een algemeen idee gebruikt door psychologen in de praktijk. Mensen met problemen denken irrationeel en stellen daardoor compulsatoire gedragingen en gedachtegangen. Ze baseren zich op wat hun leidt, wat hun leeft. Een respectvolle sociaalgerichte attitude wordt wel als positief ervaren, ontwikkeld, rekeninghoudend en althans minder irrationeel.

Het is Kant die aandacht besteed heeft aan dit psychologisch mechanisme als zodanig. Hij hechtte belang aan de attitude die mensen hebben omtrent bepaalde psychologische beoordelingen. Het recht zou hier zijn grond in vinden, er is sprake van een blinde rationaliteit die gebaseerd is op gevoel. Het zit allemaal in jezelf is een belangrijk principe bij Kant. Op die manier wordt de groep de maatstaf om je gevoel te ontwikkelen en in jezelf te spiegelen.

Het hebben van situationele of verborgen motieven wordt doorgaans als iets negatief beoordeeld, dus een sociaal gevoel dient wel oprecht te zijn en van goede wil getuigen.

De stap naar het ongereduceerd sociale brengt de beperktheid van de persoonlijke psychologie tot iets werkbaar en kan een louterende werking uitoefenen.